Euro-economie zet ECB in spagaat

De economie van Euroland laat zich op dit moment vergelijken met een pannenkoek: terwijl het midden nog niet gaar is, dreigen de randen al aan te branden. En dat is niet het enige probleem voor de Europese Centrale Bank.

Stalen gezichten, niets aan de hand. President Duisenberg van de Europese Centrale Bank zal morgen, als het bestuur van de ECB bijeenkomt voor zijn tweewekelijkse vergadering over het monetaire beleid, samen met zijn collega's de zekerheid uitstralen die van centrale bankiers wordt verwacht.

Maar de realiteit is dat de ECB, twee maanden na zijn geboorte, al wordt geconfronteerd met dilemma's waarvan eerder werd aangenomen dat die zich pas na jaren zouden voordoen.

Voorop staat dat het met Euroland als geheel economisch niet best gaat. Was eind vorig jaar nog de verwachting dat de euro-economie met tussen de 2,5 procent en drie zou kunnen gaan groeien, een slecht vierde kwartaal heeft de stemming doen omslaan. De meeste waarnemers verwachten 2 procent groei in 1999, en dat is gezien de matige prestaties in de jaren negentig tot nu toe, teleurstellend.

Maar Euroland is geen monoliet. Door de eurozone, waarvan aanvankelijk al werd betwijfeld of hij wel eenvormig genoeg is om een gemeenschappelijke munt aan te kunnen, lopen breuklijnen. De eerste is door de ECB zelf al gesignaleerd in twee opeenvolgende maandberichten: terwijl het consumentenvertrouwen per saldo stijgt, en er dus een stijging van de consumptieve bestedingen mag worden verwacht, zijn producenten de laatste maanden juist steeds pessimistischer.

Daarnaast begint het tempo van de economische groei in het eurogebied geografisch uiteen te lopen. In Ierland, Spanje, Portugal, Finland en Nederland zit er vaart in de economie, waar de huidige gemeenschappelijke eurorente van 3 procent eigenlijk te laag voor is. In het hart van Euroland zijn het vooral Duitsland en Italië waar de groei drastisch aan het vertragen is. Daar klinkt de roep om een lagere rente het hardst. Frankrijk bekleedt een middenpositie. Al met al laat Euroland zich op dit moment het best vergelijken met een pannenkoek: terwijl het midden nog niet gaar is, beginnen de randen al aan te branden.

De ECB zal een beleid moeten voeren voor het gehele eurogebied, zonder afzonderlijke landen te laten meewegen in zijn beslissingen. Maar ook generiek zijn er problemen. Is de huidige rente van drie procent afdoende om prijsstabiliteit te waarborgen – de taak waar de centrale bankiers allereerst voor zijn ingehuurd? Afgelopen week lieten achtereenvolgens de Duitse bankpresident Tietmeyer, vice-president Noyer en directielid Padoa-Schioppa publiekelijk weten de huidige rentestand geschikt te vinden. Een groeiend koor van critici, in binnen- en buitenland, vindt van niet. Allereerst is er uiteraard de Duitse minister van Financiën Lafontaine, die nu al een half jaar pleit voor een monetaire versoepeling, en dreigt om een bestedingsimplus desnoods via een oplopend begrotingstekort te laten verlopen als hij in Frankfurt zijn zin niet krijgt. Zijn mening krijgt echo's uit Frankrijk, zij het dat met de wat betere Franse economische vooruitzichten de pleidooien uit Parijs de laatste tijd wat milder klinken.

Dan zijn er de Amerikanen, die nog anderhalve week geleden op de jongste G7-bijeenkomst Europa maanden om de economische groei op te schroeven om zo bij te dragen aan het herstel van de wereldeconomie – een taak die de Amerikaanse consument op dit moment in zijn eentje vervult. De Federal Reserve kwam de afgelopen herfst door met een renteverlaging van driekwart procent. Of Europa maar wil volgen. En als laatste is er de steeds luidere groep uit met name de Brits-Amerikaanse economische kring die waarschuwt voor een wereldwijde deflatie – een dreiging die de ECB volgens hen met een drastische renteverlaging voor moet zijn om niet in een Japans scenario van dalende prijzen en stagnerende vraag te belanden. De Amerikaanse oud-minister van Arbeid Robert Reich voegde vanmorgen zijn stem toe aan dat koor.

Of de ECB aan al die eisen zal toegeven, hangt in feite af van de vraag of er op dit moment prijsstabiliteit is in Euroland en of verwacht mag worden dat die prijsstabiliteit blijft. Pas dan kan de ECB gehouden worden aan zijn minder hard omschreven tweede taak: het bevorderen van de economie in het eurogebied.

Gemeten aan de geharmoniseerde prijsindex is de inflatie in Euroland al onder de 1 procent gedaald. Duitsland en Frankrijk presenteerden over januari al nationale inflatiecijfers van nog maar 0,2 procent. Er is sprake van een overcapaciteit aan productiemiddelen in de belangrijkste euro-economieën, en een overcapaciteit aan arbeid, die beide in principe zorgen dat de stijging van de prijs van zowel goederen en diensten als die van arbeid wordt gedempt.

Dat zijn krachtige argumenten voor een nog lagere rente, maar er staat een aantal andere ontwikkelingen tegenover. De reductie van de begrotingstekorten van de eurolanden gaat de centrale bankiers niet snel genoeg. Ondanks de hoge werkloosheid in Duitsland zijn voor de metaalindustrie en de ambtenarenssector reële loonstijgingen van tussen de twee en drie procent overeengekomen. De groei van de geldhoeveelheid – de voornaamste indicator waar de ECB naar kijkt – kwam over januari door op 5,7 procent. Dat is ruim boven het doel van 4,5 procent dat Frankfurt zich heeft gesteld, en lijkt afkomstig te zijn van een toename van de kredieten aan consumenten.

En dan is er nog de euro zelf. Hoewel de ECB zich daar officieel weinig van aantrekt, is de wisselkoers van de ene Europese munt sinds het begin van dit jaar met ruim 7 procent verzwakt tegenover de dollar en met meer dan vier procent tegenover de munten van de handelspartners van Euroland.

De verzwakkende wisselkoers kan worden gezien als een substituut voor monetaire versoepeling, die de bankiers van kan weerhouden om morgen met een verlaging van de rente te komen waar in het hart van de europannenkoek zo vurig op wordt gehoopt.