De onbuigzame

Adem Demaçi heeft kwaad afscheid genomen van het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK, waarvan hij sinds vorig jaar politiek vertegenwoordiger was en zich daarmee doen kennen als wat hij altijd al was en ook altijd zal blijven: onbuigzaam, principieel, compromisloos.

De 64-jarige kampioen van het separatisme bestempelde gisteren het vredesplan van Rambouillet, waarover later deze maand verder wordt onderhandeld, kortweg als ,,verraad'' van de historische rechten van de Albanezen. ,,Het zal Kosovo niet bevrijden van de Servische slavernij.'' En als het UÇK daar anders over denkt, dan ,,hebben ze me niet meer nodig''. Exit Demaçi.

Het zat eraan te komen, dit afscheid. Demaçi heeft de afgelopen weken vaker duidelijk gemaakt geen heil te zien in de compromissen waartoe het UÇK steeds duidelijker bereid bleek. Hij was tegen de vredesconferentie in Rambouillet, maar zijn opinie werd door de UÇK-commandanten terzijde geschoven. Hij is tegen het vredesplan dat in Rambouillet door de Albanezen, inclusief het UÇK, werd onderschreven en hij beet minister Madeleine Albright, toen ze hem telefonisch vanuit Rambouillet om steun vroeg, kwaad toe dat ,,een telefoontje de crisis niet oplost'', en gooide pardoes de hoorn op de haak. Hij wees vervolgens het plan voor de vorming van een eenheidsregering van de Kosovo-Albanezen – met deelname en zelfs onder leiding van het UÇK – van de hand en ontpopte zich aldus tot een tegenstander van het streven van de internationale gemeenschap om de verdeelde Kosovaren op één lijn te krijgen en met één stem te laten praten.

Met die eigenzinnigheden heeft Demaçi het in luttele weken verbruid bij de politieke elite van Kosovo. Veton Surroj, onderhandelaar in Rambouillet, vond Demaçi ,,een man van het verleden''. Zijn radicalisme, aldus Surroj – en de rest van het politieke establishment – verdeelt de Kosovaren juist nu het er op aan komt één lijn te trekken: ,,Het UÇK zal met de deal van Rambouillet instemmen, anders isoleert het zich van het volk en van de wereld. Het kan zich niet permitteren zich van de samenleving te vervreemden.''

Adem Demaçi is een hartstochtelijke radicaal, een man van alles of niets. Hij heeft er een zeer hoge prijs voor betaald: van 1962 tot 1990 zat hij wegens zijn separatistische opvattingen in de gevangenissen van Tito en diens opvolgers. De ,,Mandela van Joegoslavië'' werd hij genoemd. Na zijn vrijlating leidde hij het Comité voor de Rechten van de Mens in Kosovo, om in 1996 een eigen partij op te richten, de Parlementaire Partij van Kosovo.

Demaçi werd de eerste politicus in Kosovo die afstand van van het beleid van geweldloos verzet van de tot dan toe onomstreden pacifist Ibrahim Rugova. Hij was ook de eerste die het bestaan van het obscure Kosovo Bevrijdingsleger erkende en die dat UÇK ook openlijk steunde, mèt de guerrillamethoden die het toepaste: moordaanslagen op Servische politiemannen en Albanese `collaborateurs'. Demaçi was (net als het UÇK) en bleef tegen autonomie voor Kosovo binnen Servië: Kosovo moet onafhankelijk worden. De enige tussenoplossing die Demaçi niet afwijst is die van een `confederatie' van Servië, Montenegro en Kosovo, die Balkanië zou moeten heten en waarin Kosovo dezelfde rechten heeft als de twee andere republieken.

Geen wonder dat Demaçi vorig jaar, toen het UÇK militair een serieuze factor werd en het politieke toneel betrad, tot politiek vertegenwoordiger van het Bevrijdingsleger werd. En geen wonder ook dat hij het nu de rug toekeert omdat het zich inlaat met compromissen als dat van Rambouillet.

Demaçi's rol in Kosovo is daarmee geenszins uitgespeeld: de kans is groot dat hij de leider wordt van allen, binnen èn buiten het UÇK, die het vredesplan afwijzen en de strijd willen voortzetten. De onlangs benoemde opperbevelhebber van het UÇK, Sulejman Selimi, is een bondgenoot en vriend van Demaçi. Wat hij van `Rambouillet' vindt is vooralsnog onduidelijk.