Zielig, hè

`Tegen wie praat die mevrouw, mam?'

`Die mevrouw praat tegen zichzelf.'

`Waarom doet ze dat dan?'

`Ze is eenzaam en toch wil ze een gesprek voeren.'

`Is wel raar, hè, mam? Het is zielig voor die mevrouw.'

Zo was dat vroeger. Mensen die mompelend over straat gingen. Je kon ze niet verstaan, maar je zag dat ze druk in gesprek waren. Er hoorden soms ook gesticulaties bij, alsof ze boos waren, op henzelf of op de ander, die ze ook waren.

Het gebeurt niet vaak meer, dat zo iemand voorbij gaat, druk pratend in zichzelf. Soms zie je ze, een stuk voor je uit lopend, maar als ze naderbij komen, blijken ze wel degelijk in gesprek met iemand anders, al bellend. Even duikt de herinnering op aan de zonderlinge passanten van vroeger: `Zielig, hè'.