Voetballers

Eli de Heer was linksbinnen bij ADO kort voor en tijdens Wereldoorlog II. Hij was klein en mager en bezat een ijzersterke techniek die af en toe in de richting van het bizarre ging. Op een trainingsavond liet hij oefenmeester Wim Tap zien dat hij met de bal op hoofd en voet het ronde ding zonder dat het de grond raakte, het hele veld in de lengte kon afdribbelen. Hij bood vervolgens royaal aan op dezelfde manier terug te wandelen, maar dat hoefde niet. Trainer en medespelers waren voldoende overtuigd van het balmeesterschap van De Heer.

Eli de Heer was een pingelaar. Menig collega verweet hem de bal meestal op het verkeerde moment af te spelen – of helemaal niet. Toch waren vriend en vijand het erover eens dat zijn veel te vroege dood (hij was pas 27 jaar) een groot verlies betekende. Het was wel niet altijd strikt-functioneel wat hij presteerde, maar ook zulke voetballers behoren bij de sport.

Feyenoord had destijds Gerard Bergholtz onder contract, al noemde iedereen hem Pummy. Hij kwam van het Maastrichtse MVV, dat toen nog niet in de Geusselt speelde, maar aan de Boschpoort. Daar kon je de buitenspelers bij wijze van spreken over hun hoofd aaien als ze langs het lijntje voorbijkwamen, zo dicht leunden de tribunes tegen het veld aan. Bergholtz was qua overzicht en slimheid geen geweldige voetballer, maar hij was ontaard snel. Elke spurt van hem was waard om gezien te worden, al moet ik toegeven dat menige rush in de hekken voorbij de doellijn eindigde. Want Pummy ging zo rap, dat hij zichzelf nogal eens voorbijstormde.

Bij HBS voetbalde destijds, lang geleden, een judoka, genaamd Jaap Nauwelaerts d'Agé. Hij was een grappige duikelaar die rende, viel en opstond in één vloeiende beweging. Technisch en tactisch was hij geen wereldspeler, maar het publiek keek graag naar hem. Een manneke van rubber en nauwelijks te temmen. In diezelfde voorhoede opereerde ook een man die een uitvoerige voetbalbroek droeg met daarin grote, diepe steekzakken. Jampie Kuneman, een getalenteerde binnenspeler, placht zijn handen bij dooie momenten in die enorme zakken op te bergen. Dat gaf een ietwat gemakzuchtige indruk en trainers zien zo'n gebaar niet graag, maar het HBS van die jaren vijftig bestond uit jongelui met een eigen mening. Bovendien waren zij amateurs en tot op zekere hoogte vrij om te doen en te laten wat zij zelf wilden.

Kuneman heeft het overigens tot het Nederlands elftal gebracht en in een oefenwedstrijd tegen naar ik meen Middlesborough scoorde hij van ver buiten het strafschopgebied een formidabel doelpunt. Dat was een ontmoeting waarvoor de Engelsen zich naderhand excuseerden. Het was kort na de oorlog en de Hollandse biefstukken die zij kregen voorgezet, lagen iets te zwaar op de Britse magen.

Sommige spelers waren allesbehalve foutloos, maar maakten toch aardig carrière. Wim Zwarts van Scheveningen-Holland Sport was er zo een. Ik vond dat hij technisch tekort schoot voor de hoogste klasse, maar, eenmaal opgesteld, speelde hij enkele succesvolle wedstrijden vanwege zijn snelheid en opportunisme. Bovendien was hij een populaire Hagenees, die als groenteboer op de markt een trouwe klantenkring had. Hij verkocht goed voedsel en had er een aardige babbel bij.

Hoe ik ook in de krant wees op de technische voetbaltekorten van Zwarts, het bleek lastig om hem uit de ploeg te schrijven. Op een zeker ogenblik verloor de krant in één week 300 abonnees, allen supporters van Wim Zwarts. Gelukkig kwamen die binnen een paar maanden allen terug, maar intussen had ik de chef van de abonnementenafdeling al met een bleek gezicht aan mijn bureau gehad, of ik die Zwarts niet wat hoger kon aanslaan. Nee, helaas.