Toen een ziekenwagen nog een hobby was

Het woord ambulance betekent oorspronkelijk `hôpital ambulante', rijdend ziekenhuis. Mogelijk verklaart dat de ongekende evolutie die deze auto's hebben doorgemaakt gedurende de afgelopen decennia. Met de vooruitgang van de medische technologie in ziekenhuizen is de apparatuur in ambulances meegegaan, met het gevolg dat de witte wagens met blauwe zwaailichten nu bijna slagzij maken onder de geavanceerde apparatuur aan boord. Daarmee heeft ook het meerijdend personeel een gedaanteverwisseling ondergaan.

Een hele bedrijfstak is zo de afgelopen decennia onopgemerkt veranderd. Dat wordt duidelijk uit het boekje Ambulances in beeld van dr. K.J.J. Waldeck, wiens affiniteit met ambulances dateert van de tijd dat hij als medisch student geregeld de taak van ambulancebroeder op zich nam bij de Eerste Hulpdienst van de Leidse GG & GD.

Direct na de Tweede Wereldoorlog bleek dat ziekenwagens het geweld doorgaans wel hadden overleefd, maar ze waren daarna nauwelijks meer inzetbaar. De oorlog had ingewikkelde en ingrijpende medicamenteuze en operatieve behandelingen mogelijk gemaakt. Antibiotica bij ernstige infecties konden worden toegepast bij mensen die voorheen gewoon thuis het leven lieten. Longchirurgie bij tuberculose was evenzeer een nieuwe ingreep die levensreddend kon zijn. Het ambulante verlengstuk van het ziekenhuis kreeg dus te maken met patiënten in slechte conditie, die liggend vervoerd moesten worden. Dat waren niettemin uitzonderingen, want de hulp aan patiënten moest zich nog twintig tot vijfentwintig jaar na de oorlog voornamelijk beperken tot het aanleggen van verbanden en het spalken van ledematen. Eerder bekende levensreddende handelingen als mond-op-mondbeademing en uitwendige hartmassage moesten ver na de oorlog – eind jaren zestig – nog worden herontdekt.

Bij de gerenommeerde diensten bestond de bemanning van een ziekenwagen in die periode uit een chauffeur-ziekendrager en een verpleger. Maar voor dit werk waren ze niet opgeleid. Ze werkten op grond van ervaring.

Buiten de grote steden bestond de bemanning gewoonlijk uit een chauffeur-ziekendrager die als het even kon een EHBO-diploma had. Ze hadden hun dagelijks werk als monteur in een garage of als slippendrager bij een begrafenisondernemer.

Op het Franse platteland is nog goed te zien dat vrijwel elke garagist of taxi-onderneming er nog een ambulance bij heeft. Maar ook in Nederland zat de plaatselijke taxichauffeur, bakker of slager op een ziekenwagen als dat nodig was. De hulp aan de gewonde was beperkt. De chauffeur kon niet meer uitrichten dan de zuurstofkraan in het dashboard wat meer opendraaien als de patiënt achterin begon te kreunen.

De uitrusting van deze auto's was tot het eind van de jaren zestig ook uiterst sober. Er gingen lakens en dekens mee om de patiënt adequaat te kunnen inpakken. Er was een urinaal en een po. Verder wat zandzakjes om langs gebroken benen of armen te kunnen leggen. Daarbij voorzag de verbandtrommel in spullen om verbanden aan te leggen en draadspalken te kunnen aanbrengen. In de jaren vijftig hadden tijdens de polio-epidemieën grotere gemeentelijke diensten een zogenaamde Pulmonaat om patiënten met een ademverlamming in leven te houden. Tegen de jaren zeventig, toen uitwendige hartmassage en mond-op-mondbeademing weer werden toegepast, kwamen er ook afzuig- en zuurstofapparaten en nog weer later adequate beademingsapparatuur. Vlak na de oorlog moest Nederland het doen met de ziekenwagens van de merken Austin, Ford en Chevrolet, die door de geallieerden waren achtergelaten. De chassis werden gebruikt om opgebouwd te worden tot burgerziekenwagens. Nadat in 1947 de Marshallhulp op gang kwam, werden Amerikaanse personenwagens geïmporteerd en door gespecialiseerde carrosseriebedrijven als de Gebroeders Visser uit Leeuwarden en Akkermans in Oud-Gastel voorzien van unieke ziekenwagenkoetsen. Later werden veel gestandaardiseerde ambulances van bijvoorbeeld de Duitse bedrijven Binz en Miesen gekocht. De Amerikaanse erfenis van na de oorlog is echter nooit meer weggepoetst, waardoor vooral Chevrolets nog altijd ideale basisauto's voor ambulances zijn gebleven.

Het ziekenvervoer is tot de jaren zeventig altijd in handen geweest van gemeentelijke gezondheidsdiensten, particuliere ondernemers, ziekenhuizen, het Rode Kruis en EHBO-verenigingen. Zonder aan al te veel eisen te voldoen kon iedereen een ziekenwagenbedrijf oprichten. Van een landelijk alarmnummer was geen sprake. Dat leidde er toe dat bij een ongeluk vaak helemaal geen ambulance kwam opdagen of dat ze uit alle windstreken tegelijk arriveerden met als gevolg dat er op de plaats van het ongeluk veel geruzied werd.

Aan die situatie is een eind gekomen door overheidsingrijpen. De Wet op het Ambulancevervoer van 1971 en het Inventarisbesluit Ambulancevervoer heeft bakkers en garagehouders definitief de lol ontnomen om er een ambulance op na te houden.

Daarmee werd een episode afgesloten die een aantal neringdoenden een lucratieve hobby ontnam, wat de patiënt duidelijk ten goede is gekomen. De keerzijde is dat de ambulances zelf een stuk stereotieper zijn geworden. Waldeck heeft zijn unieke verzameling foto's van imposante Austins, Packards, Chryslers, Fords, Commers, Studebakers, Chevrolets, Cadillacs, Mercury's, Opels en Mercedessen nauwgezet gebundeld en zo een opmerkelijk en voor generaties heel herkenbaar deel van de na-oorlogse geschiedenis vastgelegd.

Ambulances in beeld (1945-1975)/van ziekenwagen tot ambulance. Door Dr. K.J.J. Waldeck. ISBN 9028811133, Uitg. Europese Bibliotheek, ƒ32,50