Studenten mogen bijbanen behouden

Studenten verdringen met hun bijbanen lager opgeleiden niet van de arbeidsmarkt. Dit antwoordt minister Hermans (Onderwijs) op Kamervragen van CDA, PvdA en D66. Hermans ziet daarom geen reden om deze bijbanen aan banden te leggen.

CDA, PvdA en D66 waren verontrust over een rapport van het Rotterdamse onderzoeksinstituut RISBO dat meldde dat de bijna 300.000 studenten met een bijbaantje ongeveer 84.000 banen van 36 uur bezetten.

Het RISBO heeft berekend dat de studenten daarmee mogelijkerwijs ongeveer 27.000 laagopgeleiden van de arbeidsmarkt verdringen.

Volgens de minister is er echter geen sprake van verdringing op grote schaal en hij baseert zich hierbij op datzelfde RISBO-onderzoek. Daaruit blijkt volgens hem namelijk dat studenten relatief vaak `kleine baantjes' van minder dan twaalf uur per week hebben.

Daarnaast blijkt dat in sectoren waarin studenten veelal werkzaam zijn, zoals de horeca, het aanbod van werk groter is dan het aanbod van lager opgeleiden die dat werk zouden willen doen. Ook kiezen werkgevers vaak bewust voor studenten omdat die in hun ogen flexibel zijn, en snel zijn in te werken.

Hermans ziet dan ook geen aanleiding om het werken van studenten aan banden te leggen. Principieel niet omdat de studenten de gelegenheid moeten hebben om in hun onderhoud te voorzien, omdat de studiefinanciering daarvan maar een deel betaalt.

Ook stelt de minister dat het maar een beperkt effect heeft omdat het merendeel van de studenten ruim onder de maximum bijverdiengrens van 15.000 gulden per jaar blijft. In praktijk verdient een student gemiddeld 5.500 per jaar bij.

Uit het rapport van de RISBO blijkt bovendien dat werkgevers, als ze geen studenten zouden inzetten, de voorkeur zouden geven aan scholieren en herintredende vrouwen boven laagopgeleiden.