Overheid schendt grondrecht varkensboeren

De beperkte schadeloosstelling van onteigende varkensboeren is een schending van het grondrecht van de eigendom, vindt P. de Haan. De Staat der Nederlanden als rechtspersoon loopt een grote kans de straks tot ongekende hoogte opgelopen schaderekening in een later stadium alsnog te moeten betalen.

Twee keer ben ik in mijn leven nauw betrokken geweest bij pogingen een kabinet onder leiding van een sociaal-democratische minister-president te weerhouden van een aanslag op het grondrecht van de eigendom, zoals dat in artikel 14 van onze Grondwet en in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens is omschreven. De eerste keer betrof het de voorgestelde beperking van de schadeloosstelling bij onteigening tot de agrarische gebruikswaarde in plaats van de ruwe bouwgrondwaarde. Vooral onteigende boeren en tuinders zouden hier ernstig door zijn getroffen. Nadat het toenmalige Tweede-Kamerlid van de KVP De Bekker en ondergetekende minister van Justitie Van Agt in het kabinet-Den Uyl hadden overtuigd van de ongrondwettigheid van zijn wetsvoorstel, leidde dit na zes weken vruchteloos onderhandelen in het Catshuis tot de val van dit kabinet in 1977.

De tweede aanslag op het grondrecht van de eigendom, zoals die dezer dagen aan de orde is in de Wet Herstructurering Varkenshouderij, is vele malen erger. Nu is immers niet alleen maar sprake van enige beperking van de schadeloosstelling bij onteigening, doch van een volledige eigendomsontneming in het veronderstelde algemeen belang zonder enige schadevergoeding. En wel aanvankelijk van maar liefst een kwart van het varkenshouderijbedrijf, later teruggebracht tot twintig procent en nu, na opschorting van de wet door de rechtbank Den Haag, tot tien procent door minister Apotheker.

Een tweede belangrijk verschil met het geval van 1977 is dat het ditmaal niet de PvdA is die vooroploopt bij het plegen van de aanslag op de eigendom, maar wonderlijk genoeg de VVD-minister J. van Aartsen. Van hem mag men toch op zijn minst verwachten dat hij enige notie heeft van het begrip vermogensrecht, zoals dat al in 1945 in het Zakenrecht van Asser-Scholten (achtste druk) werd omschreven. Op bladzij acht van dit standaardwerk werd als voorbeeld van een met een varkensrecht vergelijkbaar productierecht als geldswaardig en dus voor vergoeding in aanmerking komend vermogensrecht genoemd ,,een aan den kweeker geleende teeltvergunning''. Het betrof een arrest van de Hoge Raad uit het jaar 1942, waarbij het overigens over het vallen van dit recht in het faillissement van de kweker ging.

En wil minister Apotheker straks werkelijk, na uiteindelijk het station van het Haagse gerechtshof te zijn gepasseerd – want dat gaat gebeuren – nu ook nog bij de Hoge Raad aankomen met het argument dat varkensrechten in het zogenaamde belang van het milieu geheel gratis door de wetgever aan de eigenaren kunnen worden ontnomen? De vergelijking met milieumaatregelen ten aanzien van chemische bedrijven, die hij in het tv-programma Buitenhof maakte, slaat eenvoudig nergens op. Geen enkel bedrijf heeft ooit in Nederland of waar dan ook in de Westerse wereld de eigendom van een deel van zijn productierechten ten behoeve van het milieu behoeven af te staan. De productiebeperkingen binnen de Europese Gemeenschap zijn algemene regulerende maatregelen, zoals ook milieumaatregelen dat zijn. En wanneer deze maatregelen echt discriminerend zijn voor bepaalde bedrijven, wordt daarvoor wel degelijk schadevergoeding betaald.

Juist wanneer, tegen elke verwachting in, de Haagse rechter de minister uiteindelijk toch nog in het vermeende gelijk zou stellen is – om het in varkenstermen te zeggen – de beer pas goed los. De Nederlandse varkenshouderij kan dan immers nog in beroep gaan bij maar liefst twee Europese rechters: voor de aantasting van de eigendom als mensenrecht bij het betreffende hof in Straatsburg en voor de overtreding van de Europese marktordening voor varkens bij het Hof van Justitie in Luxemburg. Al die tijd hangt het zwaard van de rechtsonzekerheid niet alleen boven de bedrijfstak, maar ook en vooral boven de Staat der Nederlanden als rechtspersoon. Deze loopt een forse kans de dan tot ongekende hoogte opgelopen schaderekening alsnog te moeten betalen. Onrechtmatige wetgeving is namelijk ook een onrechtmatige overheidsdaad die tot volledige schadevergoeding verplicht.

Minister Apotheker kan maar beter zo snel mogelijk een einde maken aan de rechtsonzekerheid die door zijn nu beoogde noodwet alleen maar zou worden bestendigd, en wel door de generieke korting eenvoudig uit de wet te halen. Aan zijn gerechtvaardigde streven om de bedrijfstak in te krimpen en gezond te maken behoeft dit op geen enkele wijze tekort te doen. Er is na alles wat er is gebeurd voldoende bereidheid bij de bedrijfstak om aan de inkrimping van de varkensstapel mee te werken via een royale opkoopregeling en via de nodige kortingen bij overdracht van varkensrechten. En al duurt het dan een jaar of twee jaar langer, zoals hijzelf heeft gezegd, wat dan nog? Het beste zou zijn dat hij maar eens met zijn partijgenoot Hessing overlegt, die zich in de Eerste Kamer samen met PvdA-senator Pit en oud-minister Braks bij de behandeling van de wet zo sterk voor een schaderegeling heeft ingespannen. Er is ook nog gezond verstand in de paarse coalitie.

Prof.mr. P. de Haan is emeritus-hoogleraar in het onroerend-goedrecht en het bestuursrecht aan de Vrije Universiteit.