Loopgravenstrijd om uitkeringsloket

Arbeidsbureau, uitkeringsinstanties en gemeentelijke sociale dienst vormen samen één loket in het Centrum voor Werk en Inkomen. Maar sociale partners en gemeenten vertrouwen elkaar de zeggenschap niet toe.

Een loopgravenoorlog. Zo noemt bestuurster Agnes Jongerius van de vakcentrale FNV de discussie over de bestuurlijke vormgeving van de Centra voor Werk en Inkomen (CWI's), het `ene loket' voor werkzoekenden en uitkeringsgerechtigden. De betrokken instanties laten hun eigen belangen te zwaar wegen, vindt Jongerius. ,,Het belang van de uitkeringsgerechtigde, waar het toch eigenlijk om gaat, vergeet iedereen gemakshalve.''

Arbeidsbureaus, uitvoeringsinstellingen voor de sociale zekerheid (uvi's) en gemeentelijke sociale diensten moeten van de minister van Sociale Zaken een deel van hun diensten, zoals de behandeling van uitkeringsaanvragen en inschrijving van werkzoekenden, onderbrengen in CWI's. Op 54 plaatsen hebben ze dat, op vrijwillige basis, al gedaan. Binnen twee jaar worden ze dat verplicht en moet op 213 plaatsen één centraal uitkeringsloket zijn ontstaan. De CWI's veranderen dan van vrijblijvende samenwerkingsverbanden in zelfstandige, publieke organisaties.

Wie die CWI's mag besturen staat nog ter discussie. Minister De Vries (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) stelt in zijn discussienota Structuur Uitvoering Werk en Inkomen (SUWI) voor om van de CWI's zelfstandige bestuursorganen te maken. Op landelijk niveau zou wat hem betreft best nog een rol weggelegd kunnen zijn voor werkgevers, werknemers en gemeenten, maar ,,het ligt niet voor de hand om een decentrale bestuurslaag te creëren'', zo schrijft de minister.

De sociale partners, die nu nog in de regionale besturen van de arbeidsbureaus zitten, zouden daarmee hun zeggenschap op decentraal niveau kwijtraken. Op zichzelf kunnen ze daar wel mee leven, mits ze in het landelijke bestuur van de CWI's een stevige vinger in de pap krijgen. Eén van de mogelijkheden, zelfstandige CWI's met een landelijke Raad van Toezicht waarin werkgevers en werknemers samen met gemeenten en onafhankelijke door de minister benoemde kroonleden vertegenwoordigd zijn, gaat hun niet ver genoeg. Zij zouden liever een sterk centraal bestuur zien dat de CWI's rechtstreeks aanstuurt. In dat bestuur zouden alleen werkgevers, werknemers en gemeenten vertegenwoordigd hoeven zijn. Dat zijn immers de direct betrokkenen. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de bijstand, de sociale partners besturen samen met kroonleden de (landelijke) Arbeidsvoorziening en zijn opdrachtgever van uvi's als het Gak en GUO/Cadans, die de werknemersverzekeringen WW en WAO uitvoeren.

De gemeenten voelen niets voor het plan van werkgevers en werknemers. Zij willen het bestuur van de CWI's juist decentraliseren. Een nieuwe bestuurslaag is daarvoor niet nodig. ,,De keuze om de verantwoordelijkheid neer te leggen bij de CWI-vestigingsgemeente ligt het meeste voor de hand'', schrijft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) aan de minister. En het geld voor de vorming van de CWI's kan daarom maar het beste naar de 179 gemeenten gaan waar één of meer CWI's worden gevestigd.

Voor de sociale partners ziet de VNG hooguit een adviserende taak weggelegd. Een landelijk sturend orgaan mist, aldus de VNG, ,,de noodzakelijke flexibiliteit om het standaardproductenpakket van de CWI's af te kunnen stemmen op lokale wensen''. De VNG denkt daarbij onder meer aan de mogelijkheid voor gemeenten om meer taken van hun sociale diensten onder te brengen in CWI's dan strikt noodzakelijk. Naast het aanvragen van een bijstandsuitkering zou een uitkeringsgerechtigde dan bijvoorbeeld ook bij het CWI terechtkunnen voor een Melkertbaan, scholing of hulp bij schuldsanering.

Als gemeenten de CWI's besturen, zullen zij veel sneller extra taken toevoegen, meent A. van Nieuwkerk, beleidsmedewerker arbeidsmarktbeleid van de VNG. Met andere woorden: als gemeenten de zeggenschap over het ene loket niet krijgen, houden ze gewoon hun eigen loketten open. En dat is nu juist niet de bedoeling.

FNV-bestuurster Jongerius ziet ook bij een landelijk CWI-bestuur, zoals de sociale partners voorstaan, voldoende mogelijkheden voor gemeenten om extra taken over te hevelen naar het CWI. Gemeentelijke bestuursverantwoordelijkheid over de CWI's wijst ze af. ,,Gemeenten zitten in de CWI's voor hun bijstandstaken. De werknemersverzekeringen staan daar los van, daar hebben zij niets mee te maken.''

De gemeenten zien dat anders. In 2001 wordt de sociale zekerheid geprivatiseerd en worden de CWI's verantwoordelijk voor de claimbeoordeling, de beslissing of iemand recht heeft op een uitkering. ,,Dat wordt een overheidstaak die wij, als overheidsinstantie, onafhankelijk kunnen uitvoeren'', aldus Van Nieuwkerk. Jongerius (FNV) vindt de claimbeoordeling typisch een landelijke aangelegenheid, die je niet kunt overlaten aan lokale overheden. Ze is bang dat de ene gemeente strenger zal keuren dan de andere. ,,Dat leidt alleen maar tot rechtsongelijkheid.''

Behalve bestuursbevoegdheid betwisten sociale partners en gemeenten elkaar ook de zeggenschap over reïntegratiegelden, de budgetten om uitkeringsgerechtigden door scholing en werkervaringsplaatsen weer aan een baan te helpen. Gemeenten hebben samen zo'n twee miljard voor werkgelegenheidsprojecten, additioneel werk, loonkostensubsidies en scholing. Sociale partners hebben, onder meer via de arbeidsbureaus en op grond van CAO-afspraken, ongeveer een miljard aan reïntegratieprojecten te besteden. Het reïntegratiebudget van de arbeidsbureaus wordt na de privatisering van de sociale zekerheid grotendeels overgeheveld naar de gemeenten, die dat geld kunnen besteden bij de (dan geprivatiseerde) arbeidsbureaus of bij andere (commerciële) bemiddelaars, zoals uitzendbureaus.

Sociale partners willen alle reïntegratiegelden het liefst in één grote pot stoppen en door het landelijke CWI-bestuur, het LIWI, laten verdelen. De gemeenten, die twee van de drie miljard aan zo'n pot zouden moeten bijdragen, besteden hun eigen geld volgens Van Nieuwkerk (VNG) liever zelf. ,,Wij worden tenslotte ook afgerekend op de resultaten van ons arbeidsmarktbeleid.”