Lelijk eendje

Elke morgen, klokslag acht uur, staan ze daar. Vader en dochter. Op de grijze trottoirtegels voor het grauwe viaduct op een asfalt T-splitsing met stoplicht.

`s Winters staat de dochter met opgetrokken schouders in een pijnlijk gekleurd jack, op gymschoenen met korte sokjes onder een kort rokje, bibberend onder haar vale piekharen voor zich uit te staren. Ze staart. Misschien verbaast ze zich over deze plek, de kou, het wachten en haar vader. Ook 's zomers staat ze met kouwelijke armpjes te wachten.

De vader heeft zijn handen in zijn zakken van zijn grauwzwarte jack. Zijn schouders hangen af, zijn wangen en ogen ook. Hij kijkt naar links. Altijd. Onafgebroken. Zijn gezicht toont geen verwachting. Hij zegt niets. Zij zegt ook niets. Ze kijken elkaar niet aan. Ze wachten. Het is zijn taak om zijn dochter naar dat punt te brengen. Iedere dag.

Zij weet waarop zij wacht. Hij ook. Ik niet. Ik zal het ook nooit weten, ik rijd daar alleen iedere dag om acht uur langs. Nooit later.

De vader berust er in dat het lelijke eendje zijn dochter is. Hij weet dat ze geen zwaan zal worden. Een zoon van hem zou ook geen zwaan worden. Dat weet hij.

Maar misschien had hij met zijn zoon kunnen praten. Over voetbal.

Met zijn dochter is niets te bepraten. Ze is een lelijk eendje en zal een lelijke eend worden. Er is geen ontkomen aan. Dat weet hij.