Een uitzonderlijk man

Er is een tijd geweest – een tijd die overigens nog niet voor iedereen voorbij is – dat mr. J.M.A.H. Luns, die van 1952 tot 1971 minister van Buitenlandse Zaken en daarna nog dertien jaar lang secretaris-generaal van de NAVO was, voor bijna alles wat links was in Nederland de belichaming was van alles wat verkeerd was: reactionair, pro-Amerikaans, kolonialistisch en bovendien dom, althans niet serieus.

Laat nu het Instituut Clingendael vrijdag, ter gelegenheid van het afscheid van dr. S. Rozemond, die sinds zijn oprichting in 1983 een van zijn belangrijkste medewerkers is geweest, een colloquium hebben gehouden over die Luns! Waarom is dat zo merkwaardig? Omdat Rozemond tevens een vooraanstaand lid van de PvdA is.

Nu moet hier onmiddellijk aan toegevoegd worden dat Rozemond nooit tot degenen heeft behoord die Luns' intellectuele, politieke en diplomatieke gaven hebben onderschat. Daar is hij veel te intelligent voor. Trouwens, ook Den Uyl en Pronk hebben hun partijgenoten vaak voor zo'n onderschatting gewaarschuwd. In zoverre was er niets vreemds aan die associatie Luns-Rozemond.

Een man die negentien jaar achtereen minister van Buitenlandse Zaken is geweest, is trouwens iemand die per definitie niet onderschat mag worden – door voor- of tegenstander – en alleen al daarom een colloquium waard. Het gaat per slot van rekening om een groot stuk naoorlogse Nederlandse geschiedenis.

De kleurrijkheid van de figuur Luns stond er borg voor dat het colloquium levendig zou zijn. De onvermijdelijke anekdotes die er door de deelnemers – ambtenaren die met hem gewerkt hadden, historici en andere waarnemers – verteld werden, dienden bijna altijd om deze in de Nederlandse politiek uitzonderlijke man te belichten (uitzonderlijk is hier in neutrale zin gebezigd).

De vraag rees, ook bij zijn medewerkers, of Luns wel vanuit een welomschreven conceptie werkte en of hij iets blijvends tot stand had gebracht – zoals zijn collega Beyen (1952-1956), met de Belg Spaak, initiator van de Europese Economische Gemeenschap, voorloper van de Europese Unie, kan worden genoemd. Het antwoord op de eerste vraag is: ja, op de tweede: nee.

Wat was dan wel die conceptie? Het Nederlandse belang, zoals hij heel openlijk zei. Het Nederlandse belang, natuurlijk zoals hij dat zag. En hoe zag hij dat dan? Twee wapenfeiten in zijn lange carrière geven daar uitsluitsel over.

In de eerste plaats Nieuw Guinea, het stuk Nederlands-Indië waaraan Nederland nog dertien jaar na de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië heeft vastgehouden. Een medewerker vertelde dat Luns hem eens had gezegd dat Nederland Nieuw Guinea nodig had om een marinebasis in dat deel van de wereld te kunnen hebben en zo nog een rol buiten Europa te kunnen spelen.

Voor mij was deze anekdote een bevestiging van wat ik altijd al gedacht had: het was om de laatste reden – en dus niet zozeer wegens het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea's – dat Luns Nieuw Guinea niet wilde opgeven. Ik heb dat toen al een onhoudbare conceptie gevonden, maar kan niet ontkennen dat het een conceptie was.

Maar het was een conceptie die hij niet aan de grote klok kon hangen. Hij zou er zijn medeministers en de Kamerleden maar mee aan het schrikken hebben gebracht. Die voelden niets voor machtspolitiek en strategische visies. Vandaar dat hij naar buiten toe dankbaar gebruik maakte van het argument der zelfbeschikking, waar ze wél heel veel voor voelden. Zo was zijn Nieuw Guinea-politiek geen eenmanspolitiek.

In zijn verzet tegen de Europese plannen van generaal de Gaulle – zijn tweede wapenfeit – maakte hij gebruik van eenzelfde tactiek. Zijn verzet was gebaseerd op de overtuiging dat Nederlands belang handhaving van de veiligheidsband met de Verenigde Staten vergde en die brachten de Gaulle's plannen nu juist in gevaar.

Hij werd daarom pro-Amerikaans genoemd, maar dat was hij in feite helemaal niet (hij was, cultureel gesproken, eerder francofiel). Hij had trouwens in de Nieuw-Guineazaak botsing met de Amerikanen niet geducht. Maar wanneer het aankwam op West-Europa's – dus ook Nederlands – veiligheid, moest de band met de Verenigde Staten primeren. Ook boven de zaak van de Europese eenheid.

Maar ook dat kon hij niet al te openlijk zeggen. Daarom maakte hij graag gebruik van het argument dat de Gaulle tegen de Europese supranationaliteit was en die was voor de meeste Nederlandse parlementariërs een heilige koe. Zo kon hij hen achter zich houden in zijn verzet tegen de Gaulle – een verzet dat Nederland soms alleen, zonder zijn andere Europese partners, moest voeren. Maar Luns was niet bang.

Voor bespiegelingen over Europese versus Atlantische belangen had Luns geen geduld. In de eerste plaats was hij, ondanks zijn intellectuele gaven, geen intellectueel. In de tweede plaats was hij pragmaticus, die zich geen zorgen vóór de tijd wilde maken, dat wil zeggen: voordat die belangen inderdaad tegen elkaar zouden botsen en dat deden ze toen (nog) niet. Daarom waren die bespiegelingen nog niet ongegrond, maar meer iets voor theoretici dan voor politici van de praktijk.

Achteraf moet opgemerkt worden dat op dat colloquium geen van de deelnemers gepoogd heeft de positie van Luns te schetsen als functie van de toenmalige positie van Nederland. Wat Nieuw Guinea betreft heeft Luns – dat is duidelijk – die positie van Nederland danig overschat. Internationaal heeft hij dan ook de kous op de kop gekregen – wat zijn populariteit in Nederland overigens niet geschaad heeft (een merkwaardig verschijnsel!).

Maar Nederlands positie in Europa? Die was in Luns' tijd uitzonderlijk gunstig. `Europa' bestond toen nog uit zes leden, waarvan Duitsland zich nog grotendeels koest hield wegens de hypotheek van de oorlogsjaren (de regering-Schröder is eigenlijk de eerste die haar nu wel afgelost acht), België wegens de Vlaams-Waalse kwesties behoedzaam moest manoeuvreren, Luxemburg traditioneel aan de Franse kant stond en Italië vanouds een onzekere partner was.

Nederland had geen last van die complexen en binnenlandse remmen. Het kon, wat dat betreft, zich vrij tegen de Gaulle verzetten – soms geïsoleerd, soms heimelijk gesteund door partners die zelf hun mond niet durfden opendoen. Die constellatie – die in niets lijkt op die van het Europa van vandaag, met zijn vijftien leden – gaf de mogelijkheid de Gaulle ten slotte tot de terugtocht te dwingen.

Luns heeft van die mogelijkheid dan ook geducht gebruik gemaakt. Het is de vraag of een andere minister van Buitenlandse Zaken in dezelfde constellatie daartoe dezelfde moed en uithoudingsvermogen zou hebben getoond. En het was een moed die zich niet uitsluitend uitte in het botte `neen', dat Nederlanders zo vaak bewonderen. Luns had ook de gave van het woord.

Natuurlijk: een ministerschap van negentien jaar is te lang en daarom alleen al niet voor herhaling vatbaar. Ook hierin was Luns uitzonderlijk. We zien uit naar de biografie die de historicus A.E. Kersten, die de eerste referent op het colloquium was, over hem aan het schrijven is.