De psychologie van het ambtelijk verzet

Van de ambtenaren die onlangs werden geschorst omdat ze in het openbaar kritiek op het beleid van hun ambtelijke dienst hadden geuit, is de man van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) veruit het interessantst. Zijn uitlatingen in Trouw over het waarheidsgehalte van de RIVM-cijfers over de milieubelasting van een groeiend Schiphol, kwam hem op een spreekverbod en een schorsing te staan, maar die moesten allebei ijlings worden opgeheven omdat zij door de rechter onrechtmatig werden bevonden. De RIVM-ambtenaar had een principieel sterke zaak omdat hij zich op het standpunt stelde dat het staatsbelang van een hogere orde kan zijn dan het politieke belang van het zittende kabinet. Soms verdient het kabinetsbeleid in het staatsbelang te worden bestreden en moet de Staat tegen een kabinet in bescherming worden genomen. Ik weet niet hoeveel gewicht de president van de rechtbank in Utrecht aan het argument heeft toegekend, maar het is een constitutioneel verdedigbare stelling.

Mij treft vooral het psychologische aspect van de zaak. De stafmedewerker in kwestie (dr.ir. J. de Kwaadsteniet, statisticus) weet waarover hij praat, hij vermengt zijn bezwaren tegen de onderzoeksmethoden van het RIVM niet met persoonlijke overwegingen en in de diverse uitzendingen op radio en televisie waarin hij zich heeft laten ondervragen, heeft hij kloek en moedig aan zijn principiële uitgangspunten vastgehouden. Een ambtenaar moet sterk in zijn schoenen staan om in zijn – overwegend conformistische – werkomgeving voor een principieel afwijkend inzicht op te komen en om daarvan ook publiekelijk te getuigen. Zijn waarheidsdrang moet sterker zijn dan alle collectieve onderdrukkingsmechanismen bij elkaar en zijn mentale houvast moet groot genoeg zijn om de verontwaardiging en de afkeer van zijn chefs en zijn collega's te weerstaan. Bovendien moet hij ertegen kunnen om in de kou te staan en over genoeg inwendige reserves beschikken om een eenmansstrijd aan te gaan. Een dissidente ambtenaar moet niet rekenen op steun, of hij moet die buiten de deur mobiliseren. Voor zijn ambtelijke omgeving bestaat hij niet meer. De omgeving is bang (de verbrijzelende hiërarchie kweekt angst) en vergeeft nooit meer iemand die uit de gelederen is gebroken.

De Britse defensie-ambtenaar Clive Ponting, die in 1982 strafrechtelijk werd vervolgd omdat hij misleidende informatie van de regering-Thatcher over de ondergang van de Argentijnse kruiser Belgrano tijdens de Falklandoorlog aan de parlementaire oppositie had doorgespeeld, werd door zijn collega's uitgekotst omdat hij onschendbare regels van loyaliteit had overtreden. Hij had de Civil Services, de broederschap van ambtenaren, aan de buitenwereld verlinkt en dus zijn soort verraden. In zijn verhandeling The right to know (1985) beschreef hij de gevolgen van die doodzonde: wie eens wordt uitgestoten, blijft altijd uitgestoten. Maar Ponting stelde de waarheid hoger dan zijn trouw aan de regering. Ook hij maakte onderscheid tussen de belangen van de staat en die van de government-of-the-day. Hij verloor zijn positie op het ministerie maar won een aanzienlijke nationale aanhang onder advocaten en politieke activisten, die met hem en met toenemend succes de strijd aanbonden tegen de informatie knevelende Wet op de staatsgeheimen.

Ambtenaren die in de semi-onafhankelijke sfeer van een buitendepartementaal overheidsinstituut werken, zoals het RIVM in De Bilt, zijn in zoverre anders dan Haagse ambtenaren dat zij niet geschutkleurd zijn in een departementale cultuur. Ze staan vrijer tegenover de mores van een ministerie en zij lijden ook minder aan loyaliteitsproblemen. Bovendien hebben ze door hun wetenschappelijk werk een ruimere armslag dan ambtenaren in Den Haag. Daardoor zijn zij eerder geneigd uiting te geven aan kritische oprispingen, ook als die zich richten tegen de leiding van het departement, die formeel hun werkgever is. Maar de Ambtenarenwet, artikel 125a, eerste en derde lid, is ook van toepassing op de ambtelijke buitengewesten, zelfs op een assistent-resident. Ook zulke ambtenaren staat de straf te wachten die de bureaucratie voor alle dwarsliggers in petto heeft: overplaatsing naar een onvruchtbare hoek van het ministerie. Of departementale demotie: een etage lager.

De kwestie-De Kwaadsteniet zal het debat over de grenzen van het grondrecht op vrije meningsuiting voor ambtenaren weer nieuwe impulsen geven. De regering zal daar geen behoefte aan hebben en verwijzen naar de zojuist aangepaste regels. In de Aanwijzingen inzake externe contacten rijksambtenaren van 19 mei 1998 is het recht op vrije meningsuiting voor ambtenaren explicieter geformuleerd dan in oudere regelingen het geval was. In een toelichting werpt de regering het de ambtenaren zelfs met gulle hand toe. ,,De nieuwe aanwijzingen beogen door het geven van meer duidelijkheid de vrije meningsuiting door ambtenaren te bevorderen. In een democratische rechtsstaat is het van belang dat ambtenaren zich niet onnodig belemmerd voelen om hun mening te geven over onderwerpen die het overheidsbeleid betreffen'' (was getekend: de minister-president, de minister van Algemene Zaken, W. Kok). Op papier ziet dat er mooi uit, maar wij moeten nog zien dat die woorden in de praktijk veel waard zijn. The proof of the pudding is in the eating. De recente schorsingen stemmen nog niet tot optimisme.