De 19 van Herfkens

MET GROTE VOORTVARENDHEID heeft het kabinet, op voorstel van minister Herfkens (Ontwikkelingssamenwerking), besloten om het aantal landen waaraan Nederland bilaterale ontwikkelingshulp geeft tot negentien te beperken. Dit is een welkome stap naar de sanering van de portefeuille van Ontwikkelingssamenwerking. Bij haar aantreden trof Herfkens de wildgroei van landen, projecten en sectoren aan die onder haar voorganger Jan Pronk was ontstaan. De combinatie van de `herijking' van het buitenlands beleid en de grenzeloze expansiedrang van Pronk hadden de Nederlandse ontwikkelingshulp versnipperd. Met meer dan de helft van alle lidstaten van de Verenigde Naties onderhield Nederland een `ontwikkelingsrelatie'.

De duurzame hulp aan de negentien landen legt beslag op een beperkt deel van de ontwikkelingsbegroting, 1,3 miljard gulden. Dat is niet zo heel veel, gemiddeld nog geen zeventig miljoen gulden per ontvangend land. Daarbij moet bedacht worden dat een dergelijk bedrag voor een aantal van deze landen, gezien hun economische omvang, niet veel voorstelt. Ter relativering: voor de opvang van asielzoekers in Nederland is vorig jaar 2,2 miljard gulden uitgegeven.

Op het eerste gezicht is de beperking tot negentien landen een drastische ingreep. Op het tweede gezicht valt dat mee: met ruim dertig landen blijft Nederland ook nog een specifieke hulprelatie onderhouden om sectorale belangengroepen (waaronder het bedrijfsleven en de milieubeweging) tevreden te houden. Al met al is dus wel sprake van een afname, maar het totaal aantal landen blijft nog altijd omvangrijk.

HERFKENS SLAAT niettemin een nieuwe richting in met haar beleid. Ze heeft heldere criteria geformuleerd waaraan ontwikkelingslanden moeten voldoen om voor langdurige steun van Nederland in aanmerking te komen. Deze criteria – behoorlijk bestuur, behoorlijk beleid, laag inkomen per hoofd van de bevolking – weerspiegelen Herfkens' jarenlange ervaring in het bestuur van de Wereldbank. Hiermee brengt ze het Nederlandse beleid in lijn met dat van de meest vernieuwende internationale organisatie voor officiële ontwikkelingshulp.

Bij de Wereldbank heeft Herfkens ook geleerd dat beleidsveranderingen weerstanden oproepen in de uitvoerende organisatie. Dat zal met haar plannen voor Ontwikkelingssamenwerking ook gebeuren. Want in feite draait Herfkens een onderdeel van de `herijking', de grotere rol van de ambassades bij ontwikkelingshulp, terug. In sommige landen wordt de ontwikkelingsafdeling opgeheven, in andere landen krijgen de sectorspecialisten met hun eigen projecten minder armslag. Ambtenaren zullen zich daartegen verzetten, te meer daar het toch al rommelt op Buitenlandse Zaken.

Herfkens zal zich ook moeten pantseren tegen de aloude kritiek op verspilling van hulpgeld. Want een gevolg van haar bereidheid om grotere verantwoordelijkheid te leggen bij de ontvangende landen, kan zijn dat niet alle hulpguldens tot achter de komma goed besteed worden. Ze moet niet bang zijn om te erkennen dat er ook wel eens dingen mis gaan. Dat is, zoals bekend, in Nederland niet anders. VAN BELANG IS ten slotte dat de minister goede afspraken heeft gemaakt met de medefinancieringsorganisaties: NOVIB, ICCO, Bilance en Hivos. Zij vormen een onmisbare schakel in de kanalisering van hulpgelden naar particuliere organisaties in ontwikkelingslanden, óók in de negentien waarop de Nederlandse overheid zich concentreert. Deze ondersteuning van particuliere initiatieven blijft een van de nuttigste vormen van ontwikkelingssamenwerking. De minister doet er verstandig aan deze niet-gouvernementele hulpkanalen te blijven koesteren.