Bosaanleg

Herbert Blankesteijn heeft kritiek op de rechtlijnige bosaanleg in het Leeuwarder Bos en elders in het land (NRC Handelsblad, 20 februari).

Ook ik zou graag zien dat er in jonge bossen meer te beleven valt, dat er spannende wandelingen en verrassende fietstochten te maken zijn. Ook ik vind dat er bij het ontwerp en de aanleg meer moeite gedaan zou kunnen worden om te ontsnappen aan de saaie strakke geometrische patronen. Patronen die wellicht wel goed passen in het cultuurlandschap, maar niet in het natuurlandschap dat we willen ontwikkelen. Juist deze jonge bossen liggen op locaties waar het belangrijk is om de bezoekers al op korte termijn natuur te laten beleven. Tegen bescheiden extra kosten is het mogelijk een minder kunstmatig aandoend slotensysteem te graven, een fantasierijker fietspad te maken en de plantmachine wat te laten slingeren. Ook hoeft niet elke vierkante meter toekomstig bos te worden ingeplant: open plekjes zijn functioneel, zowel voor de recreant als voor de natuur.

Tot zover voel ik mee met Blankesteijn. Echter, de kritiek die Blankesteijn heeft op de gelijkjarigheid en het planten van ongemengde boomgroepen deel ik niet. Het is niet zinvol om naast bomen van 2 à 3 jaar oud ook bomen van enkele tientallen jaren oud aan te planten. Een leeftijdverschil van 20 jaar lijkt in een jong bos misschien aantrekkelijk, na 40 jaar zie je er nauwelijks meer iets van.

Wil je bij bosaanleg werkelijk leeftijdsverschillen inbouwen, dan moet je de aanplant over ca. een eeuw uitsmeren. Dit is een optie om een werkelijk groot en gevarieerd bos tot ontwikkeling te brengen. Het past echter slecht in de belevingswereld van een modern bestuurder in een dynamisch land(schap). Bovendien is de bevolking van het Nederland van nu weinig geholpen met dit mooie bos van overmorgen. De praktijk leert dat het aanplanten van groepen van één boomsoort een veel betere garantie biedt voor de ontwikkeling van een fraai gemengd bos dan de aanplant van sterk gemengde groepen. Daarom ben ik ook minder enthousiast over de suggestie van Blankesteijn om gedurende tien jaar kinderen met een zeer vrije plantopdracht het bos in te sturen. Los van allerlei praktische problemen leidt dit juist vrijwel zeker tot een eenvormig bos - ook al zullen de bomen niet in rechte rijtjes staan.

Over de mogelijkheden en aantrekkelijkheid van een bos van ca. 30 jaar oud ben ik overigens veel optimistischer dan Blankesteijn. Zeker op de betere groeiplaatsen is met slim beheer en met gebruikmaking van natuurlijke processen een bos te ontwikkelen dat al veel structuurvariatie heeft en waar een uitgebreide vogelbevolking een plek heeft gevonden. Ga dit voorjaar maar eens kijken en luisteren in de jonge bossen van Flevoland.

Ten slotte wil ik benadrukken dat we moeten accepteren dat we voor bomen en bos een andere tijdschaal hanteren dan wij mensen, in onze huidige hectische maatschappij, gewend zijn. Het bos kan ons, onze kinderen en onze kleinkinderen heel veel bieden, maar dan moeten wij wel het geduld opbrengen om het bos de eerste decennia wat minder kritisch te benaderen.