`Aankoopfonds cultuur urgent'

,,Een aankoopfonds voor cultuurbezit is urgent''. Dat zegt de commissie die op verzoek van het vorige kabinet de Wet behoud cultuurbezit (WBC) uit 1984 heeft geëvalueerd. Het aankoopfonds werd aangekondigd in de Troonrede van 1997, maar het geld bleef uit. Het kan volgens de commissie niet zo zijn dat er geen serieus budget is om een bij de wet afgekondigde bestuurstaak als het cultuurbezit uit te voeren. Zonder geld blijft de wet `een papieren Rijksmuseum', zoals het wel eens is genoemd.

De grote vraag is natuurlijk de omvang van het benodigde bedrag en hoe het moet worden ingezet. In dit wespennest steekt de commissie, die werd voorgezeten door de Amsterdamse hoogleraar bestuursrecht I. van der Vlies, zich niet. Wel toont zij zich `verheugd' over het eenmalige bedrag van 100 miljoen gulden dat vorig jaar door de goede diensten van De Nederlandse Bank beschikbaar kwam (en dat voor het grootste deel direct wegging naar de omstreden aankoop van Mondriaans Victory Boogie-Woogie). Staatssecretaris van der Ploeg (Cultuur) wil met ingang van het jaar 2002 structureel 8 miljoen gulden per jaar reserveren.

Er is niet alleen geld nodig voor aankopen. De WBC moet volgens de commissie ook een basis bieden voor subsidiëring van onderhoud en restauratie van beschermde objecten en collecties. Onderhoudskosten van beschermde voorwerpen moeten verder fiscaal aftrekbaar worden. Op een symposium vorig jaar oktober klonk de oude klacht van eigenaren van beschermde voorwerpen dat zij zich te veel beperkt voelen in hun eigendomsrechten zonder dat daar financiële compensatie tegenover staat. De commissie stelt daartegenover dat de officiële erkenning van hun cultuurbezit toch `ook een zekere voldoening kan geven'.

Op de lijst van de Wet Cultuurbezit staan tegen de 200 objecten en collecties die niet zonder toestemming van de regering naar het buitenland mogen worden gebracht. Daaronder zijn 49 schilderijen, enkele bibliotheken maar ook vijf draaiorgels (vanwege de toenemende belangstelling van Japan). Deze lijst dateert hoofdzakelijk van vlak na de totstandkoming van de wet. Het verdient volgens de commissie aanbeveling hem iedere tien jaar te actualiseren.

Over het algemeen werkt de wet redelijk, vindt de commmissie. Dat blijkt onder meer uit het geringe aantal beroepsprocedures tegen plaatsing van voorwerpen op de lijst (15 in 14 jaar). In slechts drie gevallen bleek de plaatsing de toets niet te kunnen doorstaan. Wel vindt de commissie dat de procedure voor aankoop van een beschermd object door de Staat erg veel tijd kost. Tien weken moet voldoende zijn. Als de partijen er in die tijd niet uitkomen kan de rechter (of arbitrage) uitkomst bieden.

Particuliere musea zijn in 1984 buiten de wet gehouden. Zij hebben zelf wel voldoende verantwoordelijkheidsbesef, zo was de redenering. Dat argument gaat volgens de commissie echter niet meer op door de toenemende verzakelijking van het museumwezen. Er zijn protocollen in voorbereiding voor selectie- en afstoting van objecten maar zolang die er niet zijn vindt de commissie uitbreiding van de WBC-bescherming tot de particuliere musea nodig.