WAO is vaak te vroeg het eindstation

Terugdringing van het aantal WAO-ers valt of staat met de keuring van zieke werknemers. Daarbij dient volgens Wouter van Ginkel en Kees Wevers niet de mate van arbeidsongeschiktheid voorop te staan, maar de vraag wat iemand nog wèl kan.

Als reden voor de toename van het aantal arbeidsongeschikten in de WAO wordt wel geruststellend de grotere omvang van de werkende beroepsbevolking genoemd. Toch zou het eerder een brevet van onvermogen zijn voor het Nederlandse bedrijfsleven en de overheid als de toename van werkenden zich binnen luttele jaren vertaalt in meer arbeidsongeschikten.

Juist de hardnekkigheid doet vermoeden dat er ondanks alle stelselwijzigingen enkele constanten zijn in het Nederlandse systeem. Voorbeelden zijn het tijdstip van de keuring, een starre arbeidsmarkt, het afdekken van risico's en te veel aandacht voor de beheersstructuur.

Een merkwaardige constante dwars door de stelselherziening heen, is het WAO-keuringstijdstip. Therapieën bij kanker, een uit de hand gelopen overspannenheid, een verkeersongeval: in veel situaties zijn de klachten en het arbeidsvermogen op het tijdstip van de WAO-keuring nog onzeker. Omdat in de nieuwe regelgeving de nadruk sterk ligt op een tijdige keuring, krijgt de zieke werknemer al in de zevende maand zijn aanvraagformulieren voor een WAO-uitkering in de bus. De keuring zelf dient uiterlijk in de 11e maand te gebeuren. Net zijn de reïntegratie-activiteiten goed en wel in gang of je bent al bezig je uitkering te regelen.

Ondanks het zogenaamd `strenger' keuren kan dit demotiverend uitwerken voor terugkeer in de arbeid. Het is valse retoriek dat de keuring er zou zijn om vast te stellen wat iemand nog wèl kan ten behoeve van zijn/haar reïntegratie. Er wordt een arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld en daarmee de hoogte van de uitkering. De keuring heet niet voor niets ook claimbeoordeling. De uitkering is de claim, herintreden is bijzaak.

Keuren, zeker als er een uitkeringsrecht aan gekoppeld is, wordt onvermijdelijk als iets definitiefs ervaren en zou dus juist later moeten plaatsvinden, nadat alles voor de werkhervatting uit de kast gehaald is. Het is een oud idee van de Sociaal Economische Raad dat nu weer door het CDA is opgepakt: nog niet keuren als er kans is op werkhervatting. In de huidige situatie betekent dit uitbreiding van de loondoorbetalingsplicht van werkgevers tot maximaal de ontslagtermijn van 2 jaar.

Een tweede constante is de grote starheid van de arbeidsmarkt voor werknemers met gezondheidsklachten of `arbeidsgehandicapten' zoals ze tegenwoordig heten. Een aanzienlijk deel van de mensen met psychische klachten en klachten van het bewegingsapparaat zou er bij gebaat zijn in een veel vroeger stadium hun heil (tijdelijk) bij andere werkgevers te beproeven. Kennismaking met een andere bedrijfscultuur en andere arbeidsomstandigheden kan een krachtig reïntegratiehulpmiddel zijn en werkt vaak beter dan het morrelen aan bestaande werkplekken en vastgelopen arbeidsverhoudingen.

Daarom moeten in een zo vroeg mogelijk stadium allerlei vormen van detachering, personeelsuitwisseling, stages, vaardighedentrainingen overwogen worden. En dit dan op een (veilig) tijdstip als beëindiging van de arbeidsovereenkomst nog niet aan de orde is. Arbodiensten kunnen hierbij een belangrijke bemiddelende rol spelen. Zonder deze mogelijkheden werkt het onder andere door de PvdA-fractie bepleite ontslagverbod voor WAO-ers of verlenging van de ontslagtermijn tot 5 jaar eerder contraproductief. Het maakt werkgevers kopschuw en belemmert de mobiliteit. Hierover zijn ook goede concrete afspraken in cao's mogelijk, zodat de sociale partners kunnen laten zien dat het hun ernst is. Te vaak worden de cao's nog ontsierd door gratuite stellingen dat men in het kader van de wettelijke regelingen zijn best zal doen.

De derde constante is dat het in de Nederlandse volksaard ligt zich goed te verzekeren. Voor de sociale zekerheid betekent dit dat het `WAO-gat' onmiddellijk herverzekerd werd, dat werkgevers hun ziekterisico verzekeren en dat het loon bij ziekte via de cao van de verplichte 70 tot 100 procent wordt aangevuld. Consequenties van `schade' worden zo niet persoonlijk gevoeld maar gerekend tot vaste kosten in de vorm van afdracht van premies. Maar daarmee wordt tegelijk de neiging versterkt het probleem op andermans bordje te leggen. Het privatiseren en decollectiviseren van de sociale zekerheid is er op gericht deze neiging tegen te gaan. De kosten worden sneller weer daar neergelegd waar ze veroorzaakt worden.

Daarom is het terugdraaien van de privatisering van de ziektewet, zoals de voorzitter van MKB Nederland bepleit, nogal prematuur. De premiedifferentiatie in de WAO begint langzamerhand effect te sorteren, zoals blijkt uit de sterk groeiende groep werkgevers die eigenrisicodrager wil worden. Nu echter door de stelselherziening de werkgever moet opdraaien voor de kosten van verzuim en WAO-intrede, is het wel de vraag of er goede prikkels zijn die de werknemer aanzetten het uiterste te doen om in het arbeidsproces te blijven meedraaien. Daarmee bedoelen we niet de in VVD-kring geopperde beperking van hoogte en duur van de WAO-uitkering, omdat dit slechts het laatste eind van het uitvaltraject betreft. Het zou moeten gaan om impulsen om in een vroeg stadium actie te ondernemen. In de cao's gaat het tot op heden vooral om prikkels die het kortdurend verzuim moeten terugdringen. D66 bepleit als prikkel een reïntegratierecht; een reïntegratieplicht is hiervan de keerzijde.

Diepgeworteld is ook het denken in structuren en machtsposities binnen het poldermodel. Eindeloos wordt gepraat of de claimbeoordeling nu in een publieke of private organisatie moet gebeuren, terwijl beide opties in zichzelf absoluut geen garantie zijn van een goede kwaliteit van de uitvoering. Reïntegratie zou bijzonder gebaat zijn bij experimenteerruimte en het creëren van meer wegen die naar Rome leiden. Voorbeelden: een regionale aanpak, uitbreiding experimenten met een persoonsgebonden reïntegratiebudget, inschakeling ex-WAO-ers als promotors of arbeidsgerichte zorg.

Staatssecretaris Hoogervorst van Sociale Zaken heeft voorgesteld via `arboconvenanten' afspraken te maken over verbetering van de arbeidsomstandigheden met bedrijfstakken waar zich de meeste arbeidsongeschiktheidsrisico's voordoen. Dit is inderdaad van het allergrootste belang. In de bedrijven moet het immers gebeuren. Maar dan is het wel noodzakelijk dat hier naar arbeidsomstandigheden in brede zin wordt gekeken. Overigens zijn (semi)overheidssectoren hier ten nauwste bij betrokken. De onderwijs- en de zorgsector zijn immers de grootste `rampensectoren' met verzuimpercentages die resp. bijna het dubbele en driedubbele zijn van het gemiddelde. Minister Borst zei in januari niet voor niets dat halvering van het verzuim de personeelskrapte in de zorgsector oplost: het levert 48.000 arbeidskrachten extra op.

Met name bij de vroegtijdige aanpak hebben de arbodiensten een hoofdrol. Hoewel de arbodiensten na een chaotische beginperiode nu hard bezig zijn en veel nieuwe initiatieven ontplooien, blijft er een zwakke stee: de werkgevers hebben de vrijheid minimale contracten met de arbodiensten te sluiten, zodat de kwaliteit per definitie onvoldoende blijft. Niet alleen van de kant van de verzekeraars, maar ook van de kant van de overheid zal blijvende druk nodig zijn deze natuurlijke neiging van met name kleinere werkgevers tegen te gaan.

Het kabinet wil met enkele maatregelen de WAO-keuring verbeteren. De effecten hiervan zijn twijfelachtig. Het is een misverstand te denken dat kwalitatief beter keuren per definitie betekent `strenger' keuren, ofwel minder arbeidsongeschiktverklaarden. Waarschijnlijk zal het aantal volledig arbeidsongeschikten wel afnemen; voor de gedeeltelijk arbeidsongeschiktverklaarden is dit nog maar de vraag. Het aantal mensen met gezondheidsklachten wordt er in elk geval niet door beïnvloed. Er is veel voor te zeggen de keuring meer als reïntegratie-prikkel te benutten. Maar dat vraagt dan wel een andere wijze van keuren: eerst de beoordeling van de reïntegratie-inspanningen en pas daarna en los hiervan de keuring ten behoeve de toekenning van een WAO-uitkering.

Kees Wevers en Wouter van Ginkel zijn senior medewerkers van TNO Arbeid te Hoofddorp