Onvolmaakt wonder van vertelkunst

Op de rand van het toneel staat in gouden letters een provocerende spreuk te lezen: If you know how the story ends, why tell it. De vraag is ongetwijfeld de belangrijkste zorg van regisseur Guy Cassiers geweest: zijn voorstelling moest het antwoord gaan geven. Wie het in zijn hoofd haalt om Tolstojs roman Anna Karenina te ensceneren, moet een grotere ambitie hebben dan alleen het bekende verhaal vertellen. Die moet ieder spoor van deemoed jegens het overweldigende origineel negeren en uitbannen en de hoogmoed koesteren er iets even overweldigends voor in de plaats te kunnen zetten. Iedereen weet hoe het verhaal eindigt – zo is de vermetele inzet van Cassiers – maar ik vertel het toch. U, toeschouwer, zult na afloop begrijpen waarom.

Met doodsverachting schrappen wat niet onontbeerlijk is, zonder al te grote hiaten te creëren maar liefst wel met enige poëzie: dat vertellen op zichzelf is in dit geval al een immense uitdaging. Die bewerkers Kristien Hemmerechts en Carel Alphenaar en, naar we mogen aannemen, Cassiers zelf, met succes zijn aangegaan. Hun selectie van gebeurtenissen en dialogen, de doeltreffende keuze van een enkel woord soms, de rangschikking en de montage - al die elementen dragen bij aan het wonder van vertelkunst dat deze voorstelling is.

Om uit de reusachtige hoeveelheid materiaal enerzijds een ruzie en verzoening tussen Lewin en zijn echtgenote Kitty te lichten, en anderzijds tussen Anna Karenina en haar Wronsky, en die samen te laten vallen en gelijktijdig op het toneel te laten plaats hebben is al een heksentoer. Maar mijn verbaasde bewondering geldt de tegenstelling die Cassiers laat overheersen, eens zo schrijnend door juist die simultaniteit. De ene ruzie verinnigt alleen maar, terwijl die tussen Anna en Wronsky de vooraankondiging van het noodlot is. De scène oogt bovendien als een quadrille, een mooie verwijzing naar decorum en mores, naar de hoge stand van de beoefenaars, naar de stilering ook van onbetamelijk verlangen. En daarmee naar de doem van degene die haar verlangen openlijk toont.

Het decor, van Marc Warning, vertoont een soortgelijke dubbelzinnigheid. De achterwand is een toneeltje op zichzelf, met eigen coulissen, waar het societyleven zich afspeelt en de roddel heerst en waar, aan het slot, de haute volée opnieuw in gekwek losbarst, onverschillig voor het levenloze lichaam van Anna aan hun voeten. Het voortoneel heeft een lijst waar omheen gelopen kan worden, als om de outcast van een vluchtoord te verzekeren. Drie, vier canapés verbeelden een stijlperiode en locaties; twee voordoeken doen hetzelfde en benadrukken het schetsmatige. Zo wordt het onvermogen van het toneel om de werkelijkheid na te bootsen tot deugd verheven.

Ook kostuumontwerpster Valentine Kempynck draagt bij aan de vormvastheid van Cassiers enscenering: al moest ik mijn verlangen naar klassiek ruisen van ragfijne japonnen en naar het elegante silhouet van cavaliers even onderdrukken. Kempijncks verdwazing van de mode van de vorige eeuw met malle voorpanden, geveterde broeken en stijve slepen horen bij het soms bijna strip-achtige karakter van de voorstelling.

Misschien gaat in die kwaliteit ook mijn bezwaar schuil: dat Cassiers versie van het verhaal zo gewoontjes is. Niet zozeer de grandeur maar het grandioze ontbreekt, het grandioze van de Russische landschappen, van het leven in Petersburg, van de opera en, vooral, van Anna. Iedere lezer heeft zijn eigen Anna en die van mij spoort nauwelijks met de figuur die actrice Catherine ten Bruggencate gestalte geeft. Mijn Anna is een blikseminslag, een toppunt van schoonheid en van dit en dat en wat al niet, een sfinx uiteindelijk, een onbegrepen teloorgang, een heilige met duistere kanten die alles in zich heeft om een martelares te worden en het klaarspeelt dat toch niet te worden.

Zoiets – zoiets complex dus: het is geen wonder dat Ten Bruggencate aan deze eisen niet voldoet, maar hoewel Stefan de Walle evenmin de Lewin in mijn hoofd benadert, schept hij, in tegenstelling tot Ten Bruggencate, wel een autonome figuur. Zijn onbeholpen vertolking van een man die met vallen en opstaan en met behoud van twijfels enigszins uitvogelt hoe hij leven moet is mooi van zichzelf, al is de intellectuele dimensie van het origineel en diens bijna ziekelijke en dubbelhartige verbondenheid met de boerenstand goeddeels verloren gegaan.

Ten Bruggencate als titelheldin toont de nuchterheid die ik altijd mooi aan haar vind en haar denkende spel schept een afstand die ook al in overeenstemming is met de stijl van de voorstelling – desondanks redt ze het niet, omdat de voorstelling als geheel het niet redt. Wat een raadsel moet zijn, ervaar ik als tekort. De nieuwe Tsjechov die de bewerking bijna is, slaagt er niet in Anna's ondergang inzichtelijk te maken: dat sommige nuances in karakters en relaties gesneuveld zijn, geeft niet, maar dit is bezwaarlijk. Het grandioze van Tolstoj ontbreekt. Ik zie de voorstelling niet - zoals Ger Thijs' vergelijkbare De Kleine Zielen destijds - gaan zweven, vragen overbodig maken, verrukken en overweldigen. En dat moet. Dat was Cassiers eigen inzet.

Voorstelling: Anna Karenina naar Leo Tolstoj door RO Theater. Bewerking: Kristien Hemmerechts, Carel Alphenaar. Regie: Guy Cassiers. Decor: Marc Warning. Spel: Stefan de Walle, Catherine ten Bruggencate, Cees Geel, Joop Keesmaat e.v.a. Gezien: 27/2, RO Theater, Rotterdam. Aldaar t/m 7/3 en 1 t/m 16/5. Tournee t/m juni. Inl. (010) 404 6888.