Nee, leren mocht een meisje niet

Voor meisjes uit de bourgeoisie is de negentiende eeuw werkelijk een moeilijke periode geweest. Ze konden zich schikken in de rol van echtgenote, huisvrouw en moeder, waarmee ze de status van haar man naar buiten representeerde. Dat was een hoog gewaardeerde, maar zoals bekend afhankelijke positie. En wat als er geen echtgenoot kwam opdagen?

Tegen het einde van de eeuw konden meisjes ook een plaats opeisen in het onderwijs, waar de jongens al veel eerder aan deelnamen. Ze konden langzamerhand overwegen een beroep uit te oefenen. Dat beloofde onafhankelijkheid, maar riep weerstanden op van ouders en leeftijdgenoten – en echt niet alleen van de mannen. En wat als je toch wilde trouwen? Het voorbeeld van de onverschrokken Aletta Jacobs uit het Groningse Hoogezand-Sappemeer die het allemaal wilde en deed is bekend uit haar `Herinneringen' (1928).

Schrijnende maar sterke `Herinneringen' heeft ook Anna de Savornin Lohman (1868-1930) gepubliceerd over een jeugd in het nabijgelegen Assen. Zij slaagde er niet in de barrières zo doeltreffend te overwinnen. Haar boek verscheen in 1909, ze was toen dus 41 jaar oud. Zulke persoonlijke ervaringen openbaar maken was niet comme il faut, zeker niet voor iemand, die zich bewust was dat ze `als het eerste en daardoor veelbegeerde meisje, na vier zonen, werd geboren uit op dat tijdstip zeer rijke ouders, beiden van adel, beiden doordrongen van alle stands- en vooroordeel-begrippen aan hun positie en aan de toenmalige tijd verbonden, en dientengevolge in het minst niet van plan hun dochtertje te wapenen tegen de wrede levens-strijd'.

Dat ze dat haar ouders bleef nadragen, is duidelijk met elke keer dat ze uitroept: `Neen, ik wil mijn ouders hier niet aanklagen noch veroordelen', want `er zijn misschien weinigen die zó geleden hebben, inwendig, onder een toch goed en liefdevol bedoelde opvoeding, als ik.'

Zij wist wat het was dagelijks te horen: ,,Jij bent een meisje – Jij moet thuisblijven, want dat is nu eenmaal je taak als vrouw''.' Haar aanbeden vader ging hierin geheel op zijn vrouw af. Die had een mondaine jeugd gehad, maar was streng godsdienstig geworden. Dat uitte zich in het voorschrijven van een strenge gedragslijn aan haar dochter, terwijl de broers veel meer mochten. `Aan deze twee werden onder het motto dat zij nu eenmaal jongens waren, vrijheden toegestaan van allerlei aard, die men mij ontzegde. Zij gingen naar de comedie of de opera – hetgeen ik nooit mocht; – zij reden schaatsen – wat voor mij ook al niet fatsoenlijk werd gevonden; – zij deden in één woord wat zij maar wilden. En beklaagde ik mij er over aan mijn vader, dan was zijn gewone antwoord: ,,Dat moet mama weten; jij bent een meisje''.'

Haar ouders stonden haar niet toe naar het gymnasium te gaan, een bittere ervaring omdat dat, toen ze er in 1909 over schreef, al zo normaal was. `Maar toen bestonden nog niet de goede dagen van heden, waarin al de grenzen, die jongens- en meisjesschool-wereld scheiden, zijn gevallen, en de opvoeding van de dochters wordt geregeld naar haar eigen verlangen. – Mijn schuchtere smeekbeden, ook te mogen studeren, werden even onbelangstellend aangehoord, als wanneer het mij b.v. ware ingevallen naar de maan te willen reizen.'

En dat terwijl haar vader wel degelijk de intellectuele capaciteiten van zijn dochtertje opmerkte en aanmoedigde, haar voorlas en kennelijk genoot van de indruk die zijn lievelingsgedichten zoals Erlkönig op zijn dochter maakten. Hij vond het prachtig dat ze zo enorm kon lezen, wat ze liefst op zijn studeerkamer deed.

`O, die onvergetelijke intimiteit van zó'n middag; 't licht aan, mijn vader werkend, en ik lezend; lezend van Brinio en van de Batavieren, totdat ik, tot verbazing van mijn vader, in één enkele middag zijn hele St. Nicolaas-cadeau had verslonden.'

Maar langzaam drong het tot Anna de Savornin Lohman door dat zelfs haar vader zich nauwelijks interesseerde voor haar schoolprestaties. `Ik deed ook mijn best, maar ik, – enkel omdat ik een meisje was, – kon hunnentwege óók wel dom blijven. – Dat, die smart om onrechtvaardigheid, begreep mijn vader niet... Eerst veel, veel later, heb ik hem die dingen gezegd. – En toen, te laat, begreep hij.'

En dat alles terwijl ze in de periode dat ze naar school had kunnen gaan, eigenlijk niets te doen had. `Onze drie meiden, op geregelde tijden versterkt door werkster, huisnaaister, oppasser, konden het met ouderwetse degelijkheid en orde geregelde huishouden ruimschoots af'.

Wat Anna de Savornin Lohman in staat gesteld heeft deze misères met trots te vertellen was het feit dat haar vader uiteindelijk tot de conclusie was gekomen dat hij het helemaal verkeerd had gedaan. De moeder was toen al lang gestorven. `Ruiterlijk, zoals alleen een superieur mens het kan, bekende hij mij ongevraagd zijn ongelijk, van mij te hebben laten opgroeien in een gewaande rijkdom, door een te grote toegefelijkheid aan de denkbeelden mijner moeder; ruiterlijk verweet hij zich daardoor thans de oorzaak te zijn, dat mijn positie nu een veel minder standesgemässe was, dan die mijner in de rechten gestudeerd hebbende, dus tot elke voorname carrière geschikte broers.'

Die erkenning kwam nadat het familiekapitaal door verkeerde belegging in rook was opgegaan. Je vraagt je af of hij zonder die klap ook tot inkeer zou zijn gekomen. Nu volgde een onduidelijke carrière in het kostschoolonderwijs, wegens ontbrekende diploma's met miserabele betaling.

Als schrijfster van damesromans en redacteur van een periodiek voor jonge dames kreeg ze nogal wat bekendheid. Ironisch is dat ze in het debat over de positie van de vrouw verwoed antifeministisch was. Veelzeggend was de titel van haar bekendste boek De liefde in de vrouwenquestie (1898) – vrouwen moesten zich ondergeschikt maken in het huwelijk.

Met haar eigen jeugdervaringen zou je enig enthousiasme verwachten voor de emancipatie. Maar met teleurgestelde freules ligt dat zo eenvoudig niet.

Anna de Savornin Lohman, Herinneringen. (Amsterdam, Van Kampen z.j. [1909])