Lastenverlichting

HET KABINET KOK-II komt zijn eigen schaduw tegen. Aan de vooravond van de Statenverkiezingen, aanstaande woensdag, speelt een discussie op over begrotingsprioriteiten. De afgelopen jaren hoefde die niet zo nodig gevoerd te worden, want de economische meewind zorgde voor extra belastinginkomsten en de uitgavendiscipline werd aardig nageleefd. Maar nu zijn de omstandigheden anders. De economische groei zakt naar de onderkant van het `behoedzame' scenario (een gemiddelde groei van 2,25 procent) en dit jaar wellicht daaronder. De uitgaven lopen links en rechts uit de hand: bij de vermindering van de varkensstapel, de opvang van de asielzoekers, de vergoedingen voor de waterschade van afgelopen herfst. Een deel van die tegenvallers heeft het kabinet aan zichzelf te wijten: ze zijn een gevolg van falend bestuur.

Het regeerakkoord helpt niet mee. Daarin zijn extra uitgaven (9,25 miljard) vastgelegd voor de gezondheidszorg, het onderwijs en de sociale werkgelegenheid. Daarnaast is er 5 miljard gulden uitgetrokken om de belastingherziening – de invoering van het `belastingstelsel van de 21ste eeuw'– te smeren.

Maar de dekking voor deze plannen wankelt. Dat komt allereerst door het illusoire financiële optimisme waarmee het regeerakkoord is opgesteld. Het kabinet rekende zich rijk aan inverdieneffecten en doelmatigheidswinsten, baseerde op de positieve uitstraling hiervan een hogere gemiddelde economische groei en begon het extra geld alvast te besteden.

Voor het eerst moet een paars kabinet een beetje ombuigen en dat blijkt lastig. Ingesleten patronen steken de kop weer op: politici op het verkiezingspad doen tegenstrijdige uitspraken over de lastenverlichting, ze werpen dammetjes op om gekoesterde sectoren van ombuigingen te vrijwaren en allemaal staan ze pal voor extra collectieve uitgaven in de zorg, het werk en het onderwijs.

MACRO-ECONOMISCH bezien is dit precies de verkeerde aanpak. Al enige tijd wordt, vanuit de Verenigde Staten maar ook door internationale organisaties, aangedrongen op een forse bestedingsimpuls in Europa. Deze is wenselijk om een groot aantal redenen – meer importen uit de door financiële crises getroffen ontwikkelingslanden, evenwichtiger economische verhoudingen met de Verenigde Staten, voorkoming van deflatie-tendensen. Zo'n bestedingsimpuls in `euroland' (waarin Nederland inmiddels is opgegaan) moet niet komen uit extra overheidsuitgaven met het risico van oplopende begrotingstekorten, maar uit lastenverlichting en marktliberalisatie.

Nederland, dat vergeleken met andere continentale Europese landen een succesvolle pionier met dit beleid is geweest, onderschrijft in abstracte zin deze aanpak. Maar als dit in eigen land actueel wordt, kijken politici de andere kant op. Jammer, want het politieke discours moet gaan over de modaliteiten van een omvangrijke lastenverlichting nú als stimulans van de Europese bestedingen.