Aida na megaspektakels nu op kamerformaat

Voor het eerst sinds 22 jaar brengt een regulier Nederlands gezelschap Verdi's populairste opera Aida weer in een eigen productie op klein formaat. De jonge regisseur Waldemar Kamer maakte er voor de Nationale Reisopera een intieme, persoonlijke voorstelling van met een politieke ondertoon.

,,Aida is bedolven geraakt onder een esthetiek van `peplum': Egyptische klederdracht, olifanten en wuivende palmen. De psychologische worstelingen van de hoofdfiguren uit de opera blijven daardoor onderbelicht.'' Met de Aida die de Duits/ Nederlandse regisseur Waldemar Kamer maakte voor de Nationale Reisopera neemt hij expliciet stelling tegen de megaproducties die het laatste decennium in ons land te zien waren in tentoonstellingshallen en sportpaleizen zoals Ahoy', RAI en ArenA. Slechts een enkel Oostblokgezelschap bespeelde met Aida nog het reguliere schouwburgcircuit, maar ook hierin ontbrak het zelden aan plichtmatige exotica. Waren olifanten te begrotelijk, dan exerceerden er wel paarden of kamelen over de scène.

Niet het monumentale, maar juist het kamermuzikale wordt in deze nieuwe Aida-productie onderstreept. ,,Hóór hoeveel kamermuziek er in de ouverture zit!'' zegt Louwrens Langevoort, intendant van de Reisopera. ,,Behalve de blazersinvallen, is er alleen het strijkorkest. De opera is een Kammerspiel met drie personen: Aida, haar geliefde Radamès en Amneris, die een oogje heeft op Radamès. De volksmassa's, daar gaat het niet om. Daarmee wil niet gezegd zijn dat deze Aida ook een kleine productie is. Het decor is waanzinnig groot, vergelijkbaar met onze Parsifal. De grijs-granieten inrichting van Ezio Frigerio is van een ware monumentaliteit.''

Regisseur Waldemar Kamer werd in 1966 in Enschede geboren, waar zijn moeder destijds harpiste was bij Opera Forum, de voorganger van de Reisopera die 22 jaar geleden de laatste Aida-productie door een Nederlands gezelschap realiseerde. De nieuwe Aida is Kamers tweede regie voor de Reisopera. Nadat Kamer onder meer in de Brusselse Muntschouwburg en de Staatsoper in Wenen had gefungeerd als regieassistent bij Ursel en Karl-Ernst Herrmann, stelde Langevoort hem in 1996 in de gelegenheid bij de Reisopera te debuteren als regisseur met Glucks Orfeo ed Euridice. Kamer werkt samen met de fameuze decorontwerper Ezio Frigerio, die decors maakte voor de Milanese Scala en de Salzburger Festspiele en de scénografie verzorgde bij films van De Sica, Schloendorff en Bertolucci. Voordat de bezoeker echter een blik wordt gegund op Frigerio's massieve decor wordt de landkaart geprojecteerd van het Fascistisch Rijk Italië.

Kamer: ,,De brieven die Verdi schreef tijdens het ontstaan van de opera hebben mij ertoe bewogen het `Vaderland' als centraal thema aan te wijzen. Verdi stond symbool voor de eenwording van Italië; zijn naam werd zelfs tot leus: Viva VERDI - Vittorio Emanuele Re d'Italia (Leve Victor Emuanuel, koning van Italië). In Va pensiero, het slavenkoor uit Nabucco (1842), droomde het volk al van een vaderland. Het Patria waarvoor Verdi heeft gevochten, strookt echter allerminst met zijn idealen. Bij de psychologische benadering die ik voorsta, waarbij alles draait om het conflict dat Aida houdt van de man die haar volk gaat vernietigen, is het oude Egypte niet meer geloofwaardig. Een Radamès met een rokje, een zwaardje en sandalen is als krijgsman een lachertje en maakt het conflict ongeloofwaardig. We hebben een transpositie overwogen naar 1870, de tijd van Aida en de Pruisische oorlog, maar dan mis je de pessimistische ondertoon, omdat Italië na jarenlang geworstel eindelijk een natie vormt.

,,Ik wilde een negatieve connotatie met het vaderland. Dus werd het de tijd van het fascisme: de fascistische imperialistische oorlog, de inval in Ethiopië. Toen de Italianen in 1936 Addis Abeba veroverden hebben ze nota bene Aida gespeeld. In de laatste maten van de opera bevindt zich de boodschap. Amneris verzucht: `Pace t'imploro' (Vrede, smeek ik). Deze smeekbede wordt overstemd door het `Immenso Ftah' (Machtige Ftah) van de priesters. Daar ligt de clou: Amneris, die staat voor de Italiaanse monarchie, verliest gedurende de opera geleidelijk de macht aan de priesters, hier de fascisten.''

Kamers Aida is macaber. Alsof een onverholen lofzang op de oorlog anno 1999 ongepast is, begeleiden in de triomfmars Gloria all'Egitto zo'n tachtig rouwenden de doodskisten van de gestorven soldaten. Als erkenning voor de heldendood voor het vaderland krijgen de weduwen een medaille en een erekrans. Radamès wordt binnengedragen, zwaargewond.

De heldencultus, de dood voor het vaderland – ze hebben ook op de familie van Waldemar Kamer hun uitwerking niet gemist. Veel van zijn voorouders hebben het leven gelaten in een van beide wereldoorlogen. ,,Mijn grootmoeder, een concertpianiste, was de enige overlevende van een grote Duitse familie. Haar woning was volgehangen met zwart-witfoto's van een familie waarvan niemand meer bestond. Zij leefde in een cultus van het verleden en vertelde martelaarsverhalen. Er werd op een bepaalde manier tegen me gezegd: die jongens zijn voor jou gestorven.

,,Een oudoom van me wilde regisseur worden, maar pleegde zelfmoord omdat hij niet terugwilde naar het front. Op zijn borst werden met bloedbevlekte brieven gevonden, die later door de Stasi in beslag zijn genomen en die ik vijf jaar geleden heb teruggekregen. Zij vertellen een aangrijpend familierelaas. Mijn voorouders waren geen fascisten, maar patriotten. Mijn grootvader was schilder. Hij heeft aan het Bauhaus gestudeerd, maar trok toch met `fliegende Fahnen' aan het front. Wanneer Radamès zijn leven in de hand legt van fascistenleider Ramfis en noot voor noot zijn woorden nazingt, dan raakt mij dat zeer persoonlijk. Dat is goed. Voor mij is een persoonlijke ingang in het werk dat ik regisseer een voorwaarde.''

Aida door de Nationale Reisopera en het Noord Nederlands Orkest o.l.v. Niksa Bareza. 6/3 Den Haag; 10/3 Eindhoven; 12/3 Maastricht; 16, 18/3 Rotterdam; 23, 25/3 Stadsschouwburg Amsterdam; 27/3 Arnhem; 30/3, 1/4 Utrecht; 7/4 Den Bosch; 9/4 Leeuwarden; 11, 13/4 Groningen.