WEGWERPONDERZOEKERS

Aan de Nederlandse universiteiten werken ruim tweeduizend postdocs op tijdelijke basis. Als gepromoveerd onderzoeker hoppen zij van project naar project. Maar de kans op een vaste aanstelling is gering.

DR. Jaap van der Does, logicus, kostwinner van een gezin met twee kinderen, werkte sinds zijn promotie in 1992 zeven jaar als wetenschappelijk onderzoeker. Op 1 januari 1999 eindigde zijn laatste postdoc-contract en trad hij in dienst van een grote Nederlandse bank. Niet omdat hij geen zin meer had in de wetenschap: nog steeds ambieert hij een wetenschappelijke carrière. Niet omdat hij niet goed genoeg was: zijn indrukwekkende c.v. bezorgde hem onlangs twee keer een plaats op een shortlist voor een vaste positie in de Verenigde Staten en een uitnodiging voor een sollicitatiegesprek voor een hoogleraarspositie in Nederland. Maar anders was hij nu werkloos geweest.

Aldus begint het discussiestuk `Arbeidsperspectieven binnen de wetenschap', opgesteld door de Ondernemingsraad Projectmedewerkers van NWO, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek. Afgelopen donderdag lag het ter tafel op een bijeenkomst in Den Haag waar tijdelijke onderzoekers en beleidsmakers zich bogen over de vraag hoe de positie van promovendi en postdocs binnen de wetenschap kan worden verbeterd. Op diezelfde bijeenkomst is een landelijk postdocplatform opgericht dat de belangen van postdocs gaat behartigen.

BITTER WEINIG

Van der Does staat niet alleen. Van de ruim tweeduizend postdocs die bij de Nederlandse universiteiten in dienst zijn, stoten er maar bitter weinig door naar de felbegeerde vaste aanstelling. Vooral dit geringe loopbaanperspectief stoort het postdocplatform. Contactpersoon Helen de Hoop, gepromoveerd in de algemene taalwetenschap en in Utrecht bezig aan haar tweede postdocproject: ``Postdocs worden gezien als wegwerponderzoekers. Er is geen continuïteit. Je wordt postdoc, je blijft postdoc, en daarna word je gedumpt en sta je voor een zwart gat. Dat is niet alleen erg frustrerend, zo vermors je ook wetenschappelijk talent.''

Sinds de invoering van de tweefasenstructuur, met zijn aparte opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker, is het aantal promovendi aan de Nederlandse universiteiten fors gestegen. Jaarlijks beginnen er nu zo'n 1700. Een deel van deze aio's en oio's (assistenten/onderzoekers in opleiding; aangesteld door respectievelijk de universiteiten en NWO) gaat door als post-doctoraat onderzoeker (postdoc). Na een stevige selectie krijgen ze enkele jaren de tijd om hun onderzoeksproject uit te voeren. Daarna kunnen ze in de regel vertrekken, op zoek naar een volgend postdoc-project of misschien wel de felbegeerde vaste aanstelling.

De achtergronden, ambities en bevindingen van postdocs zijn belicht in het vorig jaar oktober verschenen rapport `Werk- en loopbaanpositie van postdocs', opgesteld door Research voor Beleid in Leiden. De Hoop: ``In tegenstelling tot de groep aio's en oio's was er over deze groep onderzoekers nauwelijks iets bekend. Des te merkwaardiger als je bedenkt dat het postdocschap is bedoeld als overbrugging van het gat tussen promotie en vaste aanstelling. Voor zinvol loopbaanbeleid zijn nadere gegevens over deze fase van de academische carrière onontbeerlijk.''

Postdocs, zo blijkt uit het rapport, zijn zeer gemotiveerde onderzoekers die doelbewust kiezen voor de wetenschap. Salaris en secundaire arbeidsvoorwaarden spelen een marginale rol bij de keuze voor het postdocschap, wat telt is de mogelijkheid om eigen ideeën na te volgen en zelfstandig als wetenschappelijk onderzoeker te functioneren. Daarvoor bestaat alle ruimte: driekwart van de werktijd gaat op aan onderzoek. Tevredenheid is er zowel over de intellectuele sfeer als over de sociale contacten binnen de eigen afdeling. Over het geheel genomen heeft 85 procent het uitdrukkelijk naar de zin. Weinig beroepsgroepen kunnen dat de postdocs nazeggen.

Toch wringt er iets: de tijdelijkheid van de aanstelling. Van de postdocs die in 1992 begonnen was na vijf jaar zeker de helft nog altijd verbonden aan de universiteit. Maar slechts één op de vijf heeft een vaste aanstelling, volgens De Hoop een geflatteerd cijfer omdat juist de mensen die niet doorstromen in de praktijk moeilijk te bereiken waren. Zelf schat ze het aantal doorstromers naar vaste posities op vijf à tien procent. Twintig procent heeft een baan buiten de universiteit, een evengrote groep heeft de arbeidsmarkt verlaten. De rest is nog postdoc. Bij een gemiddelde contractlengte van 35 maanden wil dat zeggen dat er postdocschappen zijn gestapeld. Twaalf procent is inmiddels bezig aan zijn derde of zelfs vierde postdoc-project. Het gevoel dringt zich op in een fuik te zijn beland: werkgevers buiten de universiteit vinden je te oud en zien je als specialist.

ZWARE WISSEL

Toch, zo blijkt uit het Research voor Beleid-rapport, is het niet zozeer de tijdelijkheid van de aanstelling die een zware wissel trekt op het privéleven van de postdocs. Het probleem is dat het lange termijnperspectief ontbreekt. `Je bent steeds al aan het nadenken over een volgende baan', luidt een veelgehoorde verzuchting. ``Er is geen zekerheid'', zegt De Hoop. ``Zelfs postdocs die al jaren bezig zijn en internationaal aan de weg timmeren, worden na afloop van hun contract gewoon aan de kant gezet. Kijk ik naar mijn eigen vakgebied, dan zie ik dat in de Verenigde Staten de mensen die een – zij het slechtbetaald – PhD-traject doorlopen hebben, uiteindelijk wel een vaste positie krijgen, desnoods op een mindere universiteit. In Nederland wordt op postdocs neergekeken. Directeuren van instituutjes verzinnen onderzoek wat hen leuk lijkt, vragen er een paar postdocs bij en hebben er geen boodschap aan wat er na afloop van zo'n project met die uitvoerders gebeurt.''

Met de status van de Nederlandse postdoc is iets grondig mis, meent De Hoop. ``Juist de postdocs staan midden in het onderzoek, vaak meer dan de vaste staf die immers veel andere zaken aan het hoofd heeft. Als postdoc blijf je altijd maar in dezelfde salarisschaal zitten, of je net begonnen bent of er al jaren op hebt zitten maakt niet uit. Die lagere status is volstrekt onterecht. Wat me onlangs nog ergerde: ik wil een congres organiseren, krijg een formulier van NWO en zie tot mijn verbijstering dat de aanvrager hoofddocent of hoogleraar moet zijn. Belachelijk.''

Om de situatie voor de postdocs te verbeteren, stelt het postdocplatform een aantal maatregelen voor. Om te beginnen moeten zaken die de opbouw van een wetenschappelijke loopbaan hinderen, uit de weg worden geruimd. Het gaat dan om wachtgeldlasten en om wettelijke bepalingen als de flexwet, die de facto aantal en duur van opeenvolgende aanstellingen beperken. Verder is men een warm voorstander van bezuinigingen op de universitaire bureaucratie teneinde meer structurele onderzoeksplaatsen te kunnen creëren. Dat zouden in de eerste plaats docenten en hoofddocenten moeten zijn, en niet hoogleraren, omdat het grootste gat in de personele bezetting de categorie 30-40 jaar betreft. Ook is het gewenst de negatieve kanten van flexibiliteit en mobiliteit (verhuizen, extra reiskosten) te compenseren. De Hoop: ``Maar goed personeelsbeleid vraagt ook nog om iets anders: een ander type bestuurder. Te zeer lijken de huidige beleidsmakers zich bezig te houden met strategische aangelegenheden, postdocs zijn poppetjes waarmee valt te schuiven. Het gebrek aan gedegen loopbaanbeleid is zonder meer de grootste bedreiging voor de kwaliteit van wetenschap in ons land.''

In zijn commentaar op het discussiestuk benadrukte NWO-directeur W. Hutter afgelopen donderdag dat de postdoc onderaan de ladder staat en dat de piramide-structuur van de wetenschappelijke staf onvermijdelijk gepaard gaat met selectie en veel uitstroom. ``Life time employment is in deze tijd steeds ongebruikelijker, onderzoekers moeten mobieler worden.'' Het postdoc-circuit is volgens Hutter bedoeld als een gelegenheid tot talent spotting, waarbij de minder excellente onderzoekers tijdig moet worden ontraden hun heil aan de universiteit te zoeken. ``De wetenschap is een keihard bedrijf, er is enorme concurrentie, het is up or out.'' In deze mening werd hij gesteund door F. van den Maagdenberg, directeur van de VSNU (Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten). Zij bepleitte een brede inzetbaarheid van de postdocs, om zo hun kansen buiten de wetenschap te verbreden, en hekelde de vaste staf die het lef niet heeft de postdocs tijdig de boodschap over te brengen dat aan de universiteit geen plaats voor ze is. Waarna Hutter opmerkte dat driekwart van de onderzoeksbanen buiten de universiteiten te vinden is.

SCHRIL CONTRAST

In schril contrast met de gebrekkige doorstroming van `gewone' postdocs staat het succes van de Akademie-onderzoekers. Jaarlijks selecteert de Akademie van Wetenschappen 40 à 50 talentvolle jonge gepromoveerde onderzoekers met als doel ze voor de Nederlandse wetenschapsbeoefening te behouden. Ze krijgen een aanstelling van drie jaar bij een universiteit, met de mogelijkheid van twee jaar verlenging. Voorwaarde voor dat laatste is dat de betrokken universiteit de Akademie-onderzoeker in vaste dienst neemt. Zeventig procent vraagt verlenging aan en wie dat niet doet is vaak al onder de pannen. Bij een enkel schrijnend geval loopt het mis en weigert een universiteit garant te staan voor een vaste aanstelling, maar dat zijn uitzonderingen.

Extra wrang voor de huidige generatie postdocs is dat zij op het verkeerde moment bij de universiteit aankloppen. Nog altijd zit de zaak daar muurvast, slechts 2 procent van de posities als docent, hoofddocent en hoogleraar komt jaarlijks vrij. Of je een plek vindt is niet alleen een kwestie van talent, je moet de mazzel hebben dat ergens een gaatje valt. Dat gaat veranderen zodra de `prop' aan oudere onderzoekers, aangesteld in tijden van ongebreidelde expansie en nu in de vaste staf zwaar oververtegenwoordigd, over tien jaar met pensioen gaat. Dan ontstaat ineens een vervangingsbehoefte waaraan niet gemakkelijk te voldoen zal zijn. Om de bui voor te zijn, en om brain drain te voorkomen, worden nu alvast Van der Leeuw-hoogleraren aangesteld op posities die pas straks vacant komen. Voor de lagere rangen is zo'n aanpak afwezig. Dus hebben de postdocs het nakijken: nu is er geen plek, over tien jaar zijn ze te oud.

IDEALISME EN LIEFDE

Jaap van der Does, die als logisch semanticus in toptijdschriften publiceerde, trok de consequentie en stapte over naar ABN Amro, waar hij een opleiding volgt tot systeemarchitect. Donderdag kreeg hij er zijn vaste aanstelling. ``Uit idealisme en liefde voor het vak ben ik postdoc geworden'', laat hij weten. ``Ik heb nooit hoeven solliciteren op een plaats als postdoc, de aanbiedingen die ik kreeg waren altijd zeer interessant. In wetenschappelijk opzicht heb ik genoten van de achterliggende periode. Het ging mij niet zozeer om een vaste baan, maar om garantie op continuïteit. Ik heb zeer behoorlijk werk geleverd, maar dat bleek geen hoop te geven op een fatsoenlijke aanstelling. Aan nòg een postdoc-project begin ik niet: je wordt ouder en duurder en de mogelijkheid om het roer om te gooien neemt af. Ik ben zeer teleurgesteld. Als ze je tien jaar lang uitnodigen om wetenschappelijk werk te komen doen, en als je er tot op het laatst in slaagt internationaal bekend te zijn, dan verwacht je niet dat ze je zomaar laten gaan. Ik twijfel er niet aan of de leidinggevenden van een wetenschappelijk instituut kiezen op een bepaald moment wie men wel en wie men niet probeert te behouden. Of je tot de gelukkigen behoort kun je slechts gissen. Niemand zal het je zeggen, tenzij je om die informatie gaat bedelen. Maar zelfs dan word je soms getracteerd op een wolk van diplomatieke woorden waarin je het slechte nieuws maar moet zien te herkennen. Op de bank is het werk natuurlijk veel meer toegepast dan aan de universiteit, maar daarom niet minder interessant. Het begint me in zijn greep te krijgen.''