Soap

JE LUISTERT naar de radio, iets valt je op en vervolgens hoor je het haast dagelijks. Zo herinner ik me dat, alweer jaren geleden van de een op de andere dag, te on- en te onpas, `ten principale' werd gebruikt. `Ik ben het daar ten principale niet mee eens', zei dan iemand tijdens een vergadering en keek daarbij vervaarlijk gedecideerd. Ik zei eens tegen een vergadergenoot dat ik niet begreep wat hij daarmee bedoelde: wilde hij zeggen dat hij het er principieel niet mee eens was, of helemaal niet of gewoon niet? De aangesprokene, die het later als politicus nog ver zou schoppen, antwoordde even gedecideerd als zijn blik: `zo zeg je dat nou eenmaal'. Waarmee hij simpelweg verwoordde wat wij allemaal doen, namelijk in ons taalgebruik tot uiting brengen met wie we ons verwant voelen. Soms is een enkele zin voldoende om dat te horen. Zo word ik gefascineerd door de specifieke variant van plat taalgebruik die kenmerkend is voor dames uit vooruitstrevende kringen. Net zo speciaal maar toch ook weer heel anders is het plat van gristelijke mannen. Je stapt in de auto, zet de radio aan en bij de eerste zin weet je dat je bij de EO op bezoek bent.

Een andere, mij opvallende karakteristiek van het hedendaagse taalgebruik heeft te maken met de wijze waarop interviewers vragen stellen. Het typische van die vragen is dat nergens naar gevraagd wordt. De beelden tonen ons een voetballer die probeert een ander dood te schoppen, we zien hoe die speler hevig misbaar maakt als de scheidsrechter hem een gele kaart voorhoudt, en welke vraag stelt onze wakkere verslaggever na afloop? `En hoe heb je de wedstrijd beleefd?' of `Nou, nou', om hem vervolgens de microfoon onder de neus te duwen, of, toppunt van the minimal art of interviewing: `En?'

Journalisten en sportlieden, ze hebben elkaar broodnodig en koesteren daarom hun relatie. Dit verklaart de opkomst van de pseudo-vraag als middel om de kraan open te draaien. Misschien ook is dat de reden waarom Ben de Graaf, die daar duidelijk nooit aan heeft meegedaan, door sommigen wordt gehouden voor een kritisch en verdienstelijk journalist. In die wereld is daar kennelijk weinig voor nodig.

Een vergelijkbare afhankelijkheid kenmerkt de relatie tussen journalisten en politici. In een interview met de Volkskrant wordt Dijkstal de vraag gesteld `Wat is het verdriet van Paars II?' Wie iets wil weten, ergens achter wil komen, iets voor zijn lezers wil duidelijk maken, die stelt een vraag. Wie ernaar streeft om in goede harmonie met de geïnterviewde de klus te klaren en een bijdrage te leveren aan het vullen van de krant, die draait de kraan open.

Een heel ander soort triviale vragen is kenmerkend voor de inquisiteurs van de Bijlmer-enquête. Hun optreden schijnt vooral bedoeld om den volke te laten geloven dat zijzelf fatsoenlijker mensen zijn dan degenen aan wie zij vragen voorleggen. Als zij menen dat iemand onjuist heeft gehandeld, dan moeten zij dat beargumenteren in hun eindverslag en dat niet op voorhand suggereren en al helemaal niet door het stellen van moralistische vragen in de geest van: `Als u terugkijkt op uw optreden tijdens en kort na de ramp, wat vindt u daar dan zelf van', of, nog erger, `Wat voor cijfer zoudt u dan zichzelf willen geven?' Een aardige wedervraag zou zijn: Wat voor cijfer denkt u straks te krijgen aan het eind van deze soap?

Een onvoldoende vermoed ik, want een beetje soap begint niet met een opzienbarende onthulling die in de loop van de volgende afleveringen blijkt niets om het lijf te hebben.