Kind moet op school hard mogen lachen

Te onzent is de vrijheid van onderwijs een groot goed. Maar berichten over de gang van zaken op sommige ultra-orthodoxe islamitische basisscholen doen de vraag rijzen of de `eisen van deugdelijkheid' waaraan scholen moeten voldoen, niet moeten worden aangepast, vindt Paul-Kleis Jager.

Het fameuze artikel 23 dat de onderwijsvrijheid regelt is aan herziening toe. De eisen van deugdelijkheid waar scholen volgens de wet aan moeten voldoen hebben nu voornamelijk betrekking op taal en rekenen. Maar de berichten over ultra-orthodoxe islamitische basisscholen van de afgelopen weken maken duidelijk dat ook de vraag of een school er voldoende in slaagt leerlingen voor te bereiden op de Nederlandse samenleving, aandacht dient te krijgen.

Aanpassing valt niet af te dwingen, maar een tolerante cultuur moet weleens onverdraagzaam zijn tegenover intolerantie.

Want hoe werkt het integreren met `verdieping van de eigen identiteit en cultuur' op sommige islamitische scholen in de praktijk? Op de Al Iman in Almere ruziën sji'itische Irakese vaders met de sunnitische schoolleiding. Een `godsdienstleerkracht met Taliban-sympathieën' – zeggen de vaders – slaat hier met een stok op de voetzolen van hun dochters om ze tot de juiste sunnitische gebedshouding te bewegen. Eerder berichtte Het Onderwijsblad dat de Amsterdamse As Siddieq-school in handen is van een Egyptische imam die deelname aan `vervloekte heidense rituelen' zoals Kerst en Oud en Nieuw sterk afraadt. Moslims dienen zich ter onderscheiding van de ongelovigen islamitisch te kleden. En Nederlands leren, het `gebrabbel van de barbaren', kan een moslim ook maar beter laten. Merkwaardig proza voor iemand die de leiding heeft over een Nederlandse school.

Het rapport `De politieke islam in Nederland' (mei 1998) van de Binnenlandse Veiligheidsdienst geeft aan uit welke hoek de wind ongeveer waait op deze scholen. Ongeveer – want namen en rugnummers noemt de BVD uiteraard niet. Zeker is dat Nederland leden en sympathisanten herbergt van een dozijn extremistische clubs zoals de Palestijnse Hamas, de Libanese Hezbollah, en de Egyptische Al Jama'a al Islamia. Hun aanhang varieert van een handjevol tot enkele honderden. De strijd om macht en invloed speelt zich vooral af in moskeeën, maar ook het onderwijs in eigen taal op gewone basisscholen en de 29 islamitische scholen hebben de belangstelling van fanatieke moslims. De vrijheid van onderwijs biedt ze een unieke kans die ze in hun geboortelanden niet krijgen. De Nederlandse overheid bekostigt alle scholen, of die nu een boodschap hebben aan de emancipatoire en democratische doelstellingen van de subsidiegever of niet.

Terwijl een school voor veel migrantenkinderen de enige manier is echt iets te leren over het land waar hun toekomst ligt, staat op islamitische scholen de angst voor het verlies van de islamitische identiteit in een niet-islamitische omgeving voorop. Dat leidt tot een krampachtig verbod op van alles wat kinderen hier nou juist leuk vinden en die op een school in islamitische landen vaak volkomen normaal zijn. Dieren en mensen tekenen, muziek maken, cola drinken, een ringetje of een kettinkje dragen, Sinterklaas en verjaardagen vieren, het mag allemaal niet. Zelfs hardop lachen is verboden.

Kinderen schieten met dit alles weinig op.

Want volgens de heersende consensus mogen dan alle culturen aan elkaar gelijkwaardig zijn, de praktijk bewijst eerder dat `vernederlandsen' een voorwaarde is voor maatschappelijk succes. Het VVD-Kamerlid Oussama Cherribi formuleerde het een keer zo: wie wil voetballen, moet voetbalkleren dragen en de spelregels kennen. Ook de ongeschreven regels en codes kan je beter zo vroeg mogelijk in de smiezen hebben. Wie in een post-religieus land leeft, hoeft niet te rekenen op al teveel begrip voor een hoofddoek, om maar eens wat te noemen. Je kunt er wel aan vasthouden, maar het dragen ervan verkleint de kans op werk.

Een debat over de `eisen van deugdelijkheid' hoeft zich niet te beperken tot islamitische scholen. Want wat te denken van reformatorische of gereformeerd vrijgemaakte scholen die de televisie weren en leerlingen vertellen dat de aarde zeker niet ouder dan vijfduizend jaar is? En wat te doen met sommige vrije scholen die iets tegen computers (machines hebben geen gevoel) hebben en er daarom maar niets mee doen?

Het bedenken van een paar extra kwaliteitseisen moet niet al te moeilijk zijn.

Bijvoorbeeld: fatsoenlijke beeldende en muzikale vorming is verplicht, godsdienstleerkrachten die onderwijzen dat alles wat Nederlands haram (slecht) is, kunnen vertrekken. En willen we eigenlijk wel dat jongens en meisjes in het jaar 2000 nog van elkaar gescheiden worden? Valt een verplichting tot gemengde klassen werkelijk niet te rijmen met de islamitische identiteit?

Een krachtiger optreden van de inspectie zal zeker de steun hebben van Nayat, Faiza of Fatima die nu les krijgen in Amsterdam of Almere. De vrijheid van onderwijs is misschien aardig voor hun ouders, maar zij hebben er op deze manier weinig aan. Misschien schrijft een van hen later nog eens een boek over haar schooljaren. Over een jeugd tussen traditie en moderniteit waarin de vermaarde Nederlandse ruimdenkendheid wordt ontmaskerd als onverschilligheid.

Paul-Kleis Jager is redacteur van het Onderwijsblad.