Hollands Dagboek

Jean-Paul Franssens (51), schrijver en schilder, publiceert deze week een nieuw boek, De wereld wil bedrogen worden, en exposeert nieuw werk in galeries in Amsterdam en Rotterdam. Franssens is ongetrouwd en heeft twee zonen.

Woensdag 17 februari

Vanochtend vroeg komt mijn vertrouwde kunstexpediteur VAN DEUR TOT DEUR WAGEN MET CHAUFFEUR voorgereden om mijn schilderijen voor de lijstenmaker op te halen. Het is kort dag. Zondag heb ik opening.

Het zijn er precies dertien, maar bijgelovig als ik ben, ga ik voordat hij aanbelt nog even stevig aan de slag met een paneel, voorstellende een scheel, blond wicht met kleine tietjes en een ietwat valse oogopslag. Er mankeert wat aan. Het is een weerspannig kreng. Niet elk schilderij laat zich zo maar verschalken. Ik weet dat VAN DEUR het misschien niet mee wil nemen omdat het immers nog zo nat is, maar als hij straks binnenkomt heb ik veertien werken in de aanbieding. Ik ben helaas een mens met plotselinge ingevingen. Ik moet voor mijn aangeboren euforie op mijn hoede zijn. Maar toch pak ik dat schele kind niet al te zachtzinnig aan. Nu of nooit. En dat om zeven uur 's ochtends.

Aangezien ik al om vier uur klaar wakker was vanwege VAN DEUR TOT DEUR ben ik er maar uit gegaan. Verdraaid, het lukt me nog ook. Heel simpel eigenlijk. De achtergrond deugde niet met dat aanstellerige bloemetjesbehang. Ik verf er een transparante laag ceruleumblauw over. Zie je wel? `Ik krijg je,' fluister ik mijn tweedimensionale meisje toe. `Ik krijg je te pakken.'

Vroeger schilderde ik vaak nors uitziende dames, met grote borsten. Nu worden ze steeds jonger en lijken hun borstjes nog niet geheel tot volle wasdom gekomen. Ik neem me voor deze morgenoverpeinzing voor me te houden. Ten slotte heb ik in deze reeks nieuwe schilderijen een meneer geschilderd met opgeheven vinger en een onhandig omgeknoopte beha over zijn behaarde borst. Dus: opgepast!

Daar komt VAN DEUR TOT DEUR. Hij is een van mijn eerste critici. Als hij mijn werk achteloos tussen de paardendekens in zijn auto wegstopt, vindt hij het niks. Nu blijkt hij opgetogen. Hij klaagt zelfs niet over het schele meisje dat immers nog voor de helft nat is. Nee, nee, die VAN DEUR TOT DEUR heeft verstand van goeie kunst, dat zie je zo.

Donderdag

Bij mij om de hoek in de portiek van boekhandel Pantheon zit een zwerfmevrouw. Bepakt en bezakt omringd door haar onbruikbare have. Ik kom van Albert Heijn, ik heb er drie kilo appels gekocht. Goudrenetten. Een lekkere, ouderwetse appel. Ik eet er dagelijks ten minste twee met klokhuis en al. Dat komt je darmflora zeer ten goede, je oogst weliswaar veel gas, maar het zijn vrolijke winden die beneden je loskomen. Je moet bij A.H. goed uitkijken dat je in de uitgestalde kisten onbeschadigde exemplaren te pakken krijgt. Tachtig procent wordt gekneusd door het personeel, dat er mee omgaat alsof het steenkool is. Binnen een paar dagen begint het vroegtijdige rottingsproces in de supermarkt en op je fruitschaal. De jongen van de groenteafdeling zoekt ze er dan weer keurig uit en smijt ze weg. Stel dat Albert Heijn in Nederland pakweg vijfhonderd filialen heeft die per week elk honderd kilo goudrenetten à drie gulden weggooien, dan smijt Nederlands zuinigste kruidenier uit pure liefdeloosheid ten opzichte van Gods goede gaven, voor zo'n slordige zeveneneenhalf miljoen gulden per jaar weg. Ik maak er een opmerking over en het knechtje antwoordt: Wat wilt u daar nu eigenlijk mee zeggen, meneer en zijn driftig door de looptelefoon schreeuwende chef valt hem bij: ja, wat wilt u daar nu eigenlijk mee zeggen!

Ik poets een mooie rode appel op en offreer hem de zwerfster met een glimlach die mededogen probeert uit te stralen. Ze kijkt me met haar eeuwenoude ogen, die nat zijn van de kou, spottend aan en weigert.

In mijn atelier is het kaal en stil. Ze zijn echt de deur uit. De telefoon. Mijn jongste zoon, Daan, belt collect uit Egypte waar hij in de Rode Zee voor zijn duikdiploma aan het diepzeeduiken is. Als je kind ver weg is, is hij ook echt heel ver weg.

Ik ga mijn kwasten schoonmaken en straks mijn schrijftafel opruimen, die me in de tijd dat ik aan het verven was soms hinderlijk verwijtend heeft aangekeken.

Vrijdag

Gisteravond even bij Arti. Ik drink een glas bier met de schilder Jan Sierhuis. Ik moet uitkijken met alcohol. Niet vanwege orgaanslijtage wegens drankmisbruik, maar vanwege een erfelijke afwijking in mijn trombocytensysteem. Trombocyten zijn bloedplaatjes. Daar heb ik te weinig van. Niet zo weinig dat mijn bloed niet wil stollen, maar als ik een ietsje te veel drink, word ik duizelig en kan bijvoorbeeld met een zware klap voorover of achterover vallen. Dat is onprettig, dus die bloedplaatjes komen mij maar wat goed van pas ter beteugeling van mijn andere erfelijke belasting, een soms niet geheel en al te stuiten drinklust. Zo heeft Onze Lieve Heer ook hierin weer het beste met me voor.

Jan Sierhuis, van wie ik nog niet zo lang geleden schitterende schilderijen in het Stedelijk heb kunnen zien, kan prachtig vertellen van de grote meesters van weleer. Soms is het praten over schilderijen nog mooier dan het kijken ernaar. Als ik met Guus Dral, fagottist in het Concertgebouworkest, over Bruckner praat, horen we hem tot in de kleinste details. In café Welling, achter het Concertgebouw, deed ik een keer een deel uit het scherzo uit diens negende zo levensecht na, met veel geschetter, gehoemp en gestamp, dat Henk Hofland die zich onder mijn toehoorders bevond, de tranen in de ogen schoten. Hofland heb ik nooit zien huilen, maar gelukkig vaak heel aandoenlijk zien lachen. Hij moest en zou mee naar een Bruckneruitvoering. Op een winterse zondagmiddag was het zover. Het sneeuwde en toen we na het concert weer naar buiten kwamen en Hofland vaststelde dat hij mijn Welling-Bruckner mooier had gevonden, lag er een dik pak sneeuw. Een oud Amsterdam-Zuidvrouwtje klaagde dat ze misschien nooit meer thuis zou komen door die sneeuw. Ik bood aan haar naar een taxi te brengen. De volle vlokken dwarrelden haar nekje binnen. ,,U moet uw mantel opslaan, mevrouw'', zei ik, terwijl ik, behulpzaam als ik ben, een stevige ruk aan haar kraag gaf. Dat arme mens. Ik rukte er gelijktijdig haar pruik bij af, die voor haar in de sneeuw viel. Fluks raapte ik hem op en zette hem met sneeuw en al op haar kale hoofdje terug. Helaas achterstevoren. Achter mij kwamen de trefzekere waterlanders van H.J.A. Hofland.

Vanmiddag was ik bij Athenaeum Boekhandel bij Herm Pol op het Spui om het een en ander door te nemen over de presentatie van mijn boek volgende week vrijdag. Daarna loop ik wat doelloos te utteren. Film af. Schilderijen af. Boek af. En ik dan?

Met Ben Haveman, die mij interviewt voor de Volkskrant, heel, héél even naar Café de Zwart. Maar ja, als je daar eenmaal zit vergeet je al heel snel je wiebelende bloedplaatjes...

Zaterdag

Op naar het Frederiksplein naar galerie Speijer & Vogtschmidt om de expositie in te richten. Ik word er zenuwachtig van. Mijn werk waar ik zo vertrouwd mee was, staat verloren tegen de grote meedogenloze kale wanden. Het valt me behoorlijk tegen. Heb ik me daar nu zo druk over gemaakt? Het liefst zou ik die hele handel weer naar mijn atelier laten brengen. Alhoewel... dat schele meisje valt toch best mee en het schilderij daarachter, met die brandende gotische vuurtoren en dat zeemonster... Ik stap maar liever weer op. Zij van Speijer & Vogtschmidt hebben wel vaker met dat bijltje gehakt. Naar het café mag ik ook al zéker niet meer. Ik besluit maar eens helemaal alleen naar bed te gaan met mijn ogen stijf dicht. Wat een mens zich allemaal op zijn hals haalt.

Zondag

Om vijf uur is de opening. Stromende regen. Hagelbuien, onweersflitsen en natte sneeuw. Mensen met geld, op wie ik zit te loeren, zitten in hun behaaglijke leren fauteuils met een glas cognac bij de open haard. Die komen niet. Die gaan niet door dit beestenweer om mijn schele meisje met baar geld te betalen om meteen mee naar huis te nemen.

Met een taxi naar Adriaan Morriën die de expositie gaat openen. Hij zal nieuwe gedichten voorlezen die nog nooit eerder zijn gepubliceerd en die bijna nog niemand ooit heeft gehoord. Het is voor ons beiden dus een première. De opkomst valt dik mee. Als Morriën achter de microfoon achteloos op de punt van de tafel gaat zitten en jongensachtig zijn benen over elkaar slaat, is het stil. Ondanks deze ongedwongenheid valt er een ouderwetse, bijna sacrale stilte over de kwebbelende vernissagebezoekers. Het laatste gedicht eindigt met de regels:

ontnuchterd, vervreemd, vroeg hij: waar is moeder?

Ben ik dan soms niet geboren? dacht hij.

Iedereen is onder de indruk. Ik niet minder. Ik dank Adriaan en houd verder mijn mond, omdat ik een hekel heb aan het gezwets van dankwoorden. Mijn oudste zoon Mauringh steekt met zijn een-meter-negentig met kop en schouders boven iedereen uit en ik meen tijdens het applaus een floers van ontroering in zijn blikken te ontwaren. Hem hebben de verzen van Adriaan Morriën ook aangegrepen en zo ben ik weer eens voor de zoveelste maal trots op mijn eigen kind.

Nazitten in café Oosterling. De ronde stoofkachel is verdwenen. Ook hier wordt tenslotte het bier per vierkante meter verkocht. Daarop kunnen zonder moeite met een beetje genoeglijk dringen, vijf slempers een plek vinden. Mijn huisarts, waker over mijn bloedplaatjes, heeft het laten afweten, dus neem ik er nog een.

Iemand roept in het geroezemoes dat Emile Henssen, een dierbare vriend van ons allen zoals we hier bij elkaar staan, dood is. Vorig jaar in de nacht heeft hij een smak gemaakt en heeft sindsdien nooit meer wakker kunnen raken uit een coma. De boodschap komt voor mij te onverwachts. Dood is dood, daar weet ik alles van, maar het moet niet al te dichtbij komen. Ik was een van de laatsten uit onze kring die hem het duister van zijn onheilsnacht zagen binnengaan, toen we opgewekt en nonchalant voor altijd afscheid van elkaar namen. Ik ga maar even naar de plee. Een ietwat onhandige man, die Emile, dat blijkt wel uit die rotsmak. Ik weet eerlijk gezegd niet of hij in het hiernamaals geloofde, maar mompel toch met een blik in de spiegel naast me: tot ziens, lieve vriend.

Maandag

Rustdag. Ik ga de deur niet uit. Ik kan goed nadenken zonder wat te doen als ik mijn best doe. Vooral als ik een paar maal zonder doel de trap op en neer loop. Ik ga een lekkere pan stamppot-rauwe-andijvie voor mij en Mauringh maken. Het huis geurt naar de rollade die ik met Groningse vleeskruiden goed heb ingewreven en een uurtje heb laten staan, eer ik hem goed heet in de roomboter heb aangebraden en te sudderen heb gezet op mijn petroleumstel. Daar wordt hij lekker mals en gaar op en de geur van het oliestel komt de huiselijkheid ten goede. We luisteren op mijn bevel nog een keer of vier naar het speelse rondo uit het derde pianoconcert van Beethoven met de ongeëvenaarde Lili Kraus. Maar dan is mijn zoon aan de beurt met zijn pas verworven cd met Eddie Lockjaw Davis op de tenorsaxofoon. Samen uit, samen thuis. Even slikken, maar toch, al hoor je het er niet zo aan af, er zit wel aardigheid in die muziek.

Dinsdag

VAN DEUR TOT DEUR belt in alle vroegte dat zijn vrouw in barensnood verkeert, hij kan niet komen. Hoe verzint zo'n mens het tijdens al mijn drukte. Er komt een vervanger die mijn schilderijen voor de tentoonstelling, die zondag aanstaande in Rotterdam van start gaat, bij galerie Maas moet afleveren. Telefoon. Radio. Ik moet overmorgen worden uitgehoord over de verfilming van mijn roman `Broederweelde'. No Trains, No Plains heet mijn kind tegenwoordig in de omgang. Een mooi gespreksonderwerp. Hemingway over de verfilming van zijn boeken: bemoei je er niet mee, zorg dat je je geld krijgt, en ga er in godsnaam nooit naar kijken. Ik ben geen Hemingway. Ook ben ik met een fatsoenlijke producent in zee gegaan en ten slotte: ik heet ook geen Joost Zwagerman. Ondanks mijn waarschuwingen zich verre van de verfilming van mijn boek te houden, niet geluisterd. Resultaat? Wekenlang heeft hij moeten doorbrengen in een donkere, geheel geblindeerde kamer, ik meen op een Zeeuws eiland. (Het kan ook in de buurt van Poffert of Pingjum zijn geweest.)

Woensdag 24 februari

Houdt het nooit op? Een jonge fotografe van de Volkskrant sleept me langs de Amstel op zoek naar een geschikte locatie. Ik ga liever bij een fotograaf op de foto. Bij een vrouw begin ik me meteen aan te stellen. Ik moet aan de uiterste rand van de zompige oever gaan staan. De zon breekt door. Wat worden vrouwen toch mooi als ze met iets nuttigs bezig zijn. Blond haar. Veertig jaar geleden. Uschi van de foto-afdeling van de kunstschool, waar ik ook voor artiest in de leer ben. Ook dat blonde haar. Ze maakte een portret van me. Een studieopdracht. Een meimiddag onder een bloeiende kastanjeboom. Wat kun je toch verlegen zijn als je verliefd bent als jongen. Toen de foto klaar was bracht ze hem bij me op mijn studentenkamer, en ik heb haar voor het eerst gekust. En ja hoor. Dat is nu uitgerekend de foto op het omslag van mijn nieuwe boek dat ik vrijdag voor het eerst in mijn handen houd.

God, wat heb ik toch een heerlijk bestaan.