Grazie, grazie mille

Afgelopen maandag deed het kleine Olivetti een bod op het grote Telecom Italia. Dat slaat nergens op zei de baas van Telcom, maar politici en perscommentatoren juichten het bod toe: eindelijk een frisse wind door het economisch establishment van Italië. De nieuwe ondernemers slaan toe.

Met een glimlach bedankt Franco Bernabè zijn vijanden. Willen ze hem van zijn stoel sleuren als de baas van Telecom Italia, de elfde telecommunicatiegroep ter wereld? Willen ze heel het bedrijf in één klap overnemen, zonder eerst de veel goedkopere en vriendelijker mogelijkheid van een deelbelang te onderzoeken? Grazie, grazie mille. ,,Ik had een bloedbad nodig,'' zegt hij. ,,Wanneer je een omslag op gang wilt brengen, heb je een crisis nodig. En ik heb er een gekregen. Het is een gelukkig moment voor dit bedrijf.''

Telecom Italia is sinds vorige week zaterdag het doelwit van een van de grootste overnamepogingen ooit, maar Bernabè's commentaar blijft luchtig. Hij is concurrent Olivetti dankbaar voor het bod op zijn bedrijf, zegt hij. Ineens luisteren de vakbonden en het personeel naar zijn herstructureringsplannen, want met een schok realiseren zij zich dat er iets moet gebeuren: Telecom Italia is buitengewoon kwetsbaar.

En tegen premier Massimo D'Alema beweert Bernabè dat hij Olivetti's bod niet serieus neemt. ,,Het raakt kant noch wal'', zo wordt hij geciteerd na een telefoongesprek met de premier. Want waar haalt een bedrijf als Olivetti, dat vijf keer zo klein is als Telecom Italia, de 116 miljard gulden vandaan voor zijn bod? Het heeft een jaar gekost om voor Brazilië een reddingsplan van twintig miljard dollar op te zetten. Dan zou Roberto Colaninno, de chief executive officer van Olivetti, binnen een paar weken drie keer zoveel bij elkaar kunnen krijgen? ,,Dat kan toch niemand serieus geloven.''

Het hoort bij het spel. Bernabè vergelijkt het bod van Olivetti met een geruchtmakende zaak uit de jaren tachtig, toen Raul Gardini met zijn agro-industriële Ferruzzi-groep het veel grotere chemische concern Montedison overnam. Een paar jaar later eindigde deze sage met een enorm corruptieschandaal, een schuldenlast van miljarden guldens, en zelfmoord van Gardini. Maar financiële analisten gebruiken liever de bijbelse parallel van de strijd van David tegen Goliath. En in een katholiek land als Italië weet iedereen hoe dat is afgelopen.

Bernabè realiseert zich dat veel toeschouwers graag zijn hoofd zien rollen. Dat is niet persoonlijk bedoeld: de 50-jarige Bernabè staat nog geen vier maanden aan het hoofd van Telecom Italia en heeft op vriend en vijand indruk gemaakt door de manier waarop hij de staatsenergieholding ENI heeft gesaneerd.

Maar als deze vijandige overname lukt, wordt het een mijlpaal in de economische geschiedenis van Italië.

Decennialang zijn de belangrijkste zaken hier geregeld in onderonsjes. Het aantal spelers was beperkt tot de grote banken, met de handelsbank Mediobanca als de regisseur, en een select groepje industriëlen onder leiding van mensen als Gianni Agnelli, oud-president van Fiat, en Leopoldo Pirelli. Ze troffen elkaar in de virtuele `salotto buono', een exclusieve club met een strikte ballotage. Om mee te kunnen doen moest je je aan de clubregels houden. Het openbare bod van Olivetti is een poging dit systeem te doorbreken. De overnamepoging wordt niet besproken in een berookte achterkamer, maar wordt via de beurs gespeeld. De markt mag het zeggen. ,,Dit is het equivalent van een verkiezingscampagne,'' zei Olivetti-topman Colaninno tegen de Financial Times. ,,Bijna twee miljoen aandeelhouders kunnen voor de ene of de andere kant stemmen.''

Al jaren klinkt de roep om een opener economisch stelsel, met meer verschillende spelers. ,,Als ik naar de Italiaanse realiteit kijk, zie ik zes of zeven grote bedrijven, een vijfde van wat de Fransen hebben'', zei minister van Industrie Pierluigi Bersani onlangs. ,,Het is een klein groepje dat ruimte laat voor aristocratische en solipsistische neigingen.''

Democratisering van de economie is een hoofddoel van het huidige centrum-linkse kabinet. Te lang heeft een klein groepje ondernemers de dienst uitgemaakt. ,,We hebben kapitalisten nodig'', zei D'Alema, een voormalige communist, vorig najaar in een van zijn eerste toespraken als premier. ,,Er moeten er meer komen, ze moeten meer moed hebben, en ze moeten op een concurrerender manier werken.''

Daarom wordt Olivetti's bod van veel kanten begroet als een welkome frisse wind. ,,Het is een poging het Italiaanse kapitalisme te moderniseren'', schrijft La Repubblica. ,,Het is een moedige daad, maar voor het Italiaanse systeem nog iets meer: alsof de muur van Berlijn is gevallen,'' vindt Luciano Benetton. En de Corriere della Sera oordeelt: ,,Goed nieuws omdat het eindelijk ook in Italië mogelijk is om een groot ondernemer te worden zonder noodzakelijkerwijze te behoren tot een of andere dynastie of 'salotto buono'.''

Paradoxaal genoeg had ook de privatisering van Telecom Italia een bijdrage moeten leveren aan die economische democratisering. De werkgeversorganisatie Confindustria roept al jaren dat privatisering de beste manier is om het wat incestueuze en verstarde systeem te vernieuwen, en de meeste politici zijn het daar inmiddels mee eens. Maar de privatisering van Telecom Italia in het najaar van 1997 heeft voornamelijk chaos opgeleverd.

Onder aandrang van minister van Schatkist Carlo Azeglio Ciampi werd er een kerngroep van aandeelhouders gevormd, met samen zes procent, die het bedrijf stabiliteit en visie zou moeten bieden. Beide hebben ontbroken. De leden van deze kerngroep, een aantal banken en de houdstermaatschappij Ifil van de oppermachtige familie Agnelli, beschouwden hun aandelen vooral als een financiële investering.

De wisselingen aan de top volgden elkaar in hoog tempo op. Veelbelovende onderhandelingen voor allianties met Unisource en AT&T werden om onduidelijke redenen afgebroken. Uiteindelijk zorgde Ciampi ervoor, gebruikmakend van het golden share van 3,4 procent dat het ministerie van Schatkist nog heeft, dat een gerenommeerde troubleshooter als Bernabè werd benoemd.

,,Het is onthutsend dat er niemand is geweest die de moed en de wil heeft gehad om [de leiding bij] een juweel als Telecom te nemen,'' zei premier D'Alema eind vorige week in een openlijk verwijt aan de Italiaanse ondernemers.Die teleurstelling verklaart waarom D'Alema, anders altijd de voorzichtigheid zelve, zich aanvankelijk liet gaan en het bod van Olivetti omschreef als een actie van moedige ondernemers. Meteen daarna haastte hij zich om te verklaren dat het kabinet een neutraal standpunt inneemt, maar het gevoel blijft dat het kabinet Olivetti welgezind is.

Achter het bod schuilt een groep ondernemers en bankiers uit de Noord-Italiaanse regio's Lombardije en Veneto die bijna geen van allen deel hebben uitgemaakt van de salotto buono. Het zijn ondernemers als Emilio Gnutti, Giuseppe Gazzoni en Alberto Falck, bankiers als Silvano Pontello van de Antonveneta, de 'rode' verzekeringsmaatschappij Unipol. Zij zijn erin geslaagd Amerikaanse handelsbanken als Lehman Brothers en Chase Manhatten te interesseren. Mediobanca is er pas bijgehaald toen alles vrijwel rond was – dat deze bank meedoet, bestuurslid van de salotto buono, laat zien dat de oude schema's niet meer gelden in Italië.

Er is D'Alema veel aan gelegen de sympathie te winnen van deze groep `nieuwe kapitalisten'. Ze kunnen een rol spelen bij zijn plannen voor economische democratisering. Ze kunnen hem helpen het vertrouwen te winnen van de duizenden kleine en middelgrote ondernemers in het noorden, die na de politieke omwentelingen van de afgelopen jaren op zoek zijn naar een politiek referentiepunt. En ze kunnen een lesje leren aan de oude economische garde, die zo vaak de politieke ambities van links heeft gedwarsboomd.

Via het golden share in Telecom kan het kabinet een belangrijke rol spelen. D'Alema zei woensdag dat de staat zijn belang in Telecom voorlopig wil houden, suggererend dat hij daarmee de strijd om het bedrijf wil beïnvloeden. Minister Ciampi floot hem meteen terug en liet weten dat de plannen om dit belang af te stoten, al zijn geactiveerd. Ciampi is bang dat twijfel over de privatiseringsplannen, een essentieel onderdeel van de sanering van de overheidsfinanciën, voor onrust zorgt in financiële kringen.

Brussel heeft veel kritiek op de golden share, maar het tegenargument was dat dit vooral bedoeld was tegen overname door buitenlanders. Die nationalistische kaart kan een belangrijke rol spelen in het debat, en Olivetti gebruikt het als een troef. Als wij het niet doen, doet een buitenlands bedrijf het, is de suggestie. ,,De chemische industrie, de farmaceutische en veel andere sectoren in Italië worden tegenwoordig gemonopoliseerd door buitenlanders,'' zei Olivetti-president Antonio Tesone. ,,Telecom, zonder een sterke, gemotiveerde groep aandeelhouders, staat bloot aan wat voor offensief dan ook van het buitenland.'' Daarom wil Olivetti niet zomaar een belang, maar heel het bedrijf: om zelf het beleid te kunnen bepalen.

Het succes van het bod zal ook afhangen van de vraag wat voor perspectief Olivetti kan bieden aan Telecom. Tegenstanders zeggen dat Olivetti probeert Telecom te kopen met het geld van Telecom: voor de overname moeten zoveel schulden worden gemaakt, dat die wel gedekt moeten worden door delen van Telecom te verkopen. Verder lijkt forse inkrimping van het personeelsbestand met zo'n schuldenlast onvermijdelijk.

Tesone ontkent niet dat Olivetti onderdelen van Telecom te gelde wil maken. Hij suggereert dat een deel van het onroerend goed verkocht kan worden en dat het belang van Telecom in haar dochteronderneming voor mobiele telefonie, Tim, kan worden teruggebracht zonder de controle daarover op te geven. Maar dat is niet de essentie, zegt Tesone. Hij wijst erop dat Olivetti de afgelopen jaren bijzonder succesvol is geweest met zijn telecommunicatiedochters Omnitel en Infostrada (die verkocht worden aan het Duitse Mannesmann). Met die ervaring, zegt Tesone, willen wij het potentieel van Telecom Italia veel beter benutten dan nu gebeurt. Om niet alleen dit bedrijf, maar heel het economische bestel nieuw leven in te blazen.