Egoïsme bederft vriendschap Europa-VS

Nationale belangen mogen geen rol spelen in de verhouding tussen EU en VS, vinden William Wallace en Jan Zielonka.

Ons artikel over de verslechterde verhouding tussen de Verenigde Staten en Europa (NRC Handelsblad, 21 november 1998) heeft zowel in Europa als in de Verenigde Naties tal van reacties uitgelokt. Op zichzelf is dit een gunstig teken, want we zijn te zeer geneigd ervan uit te gaan dat de transatlantische betrekkingen gezond en wel zijn. De laatste tijd lijkt de EU in haar gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid meer aandacht te besteden aan Cambodja dan aan 's werelds eerste mogendheid. De politieke elite aan de andere kant van de oceaan is geheel verdiept in `Lewinsky-gate' en heeft maar weinig oog – laat staan begrip – voor wat de Europeanen bezighoudt. Daarin moet verandering komen. Het Atlantisch bondgenootschap moet meer zijn dan een tijdelijke instelling die nu, bij gebrek aan een dreiging vanuit het `Oosten', weer zal verdwijnen. Duidelijk is dat er onder de rommelige postcommunistische omstandigheden forse aanpassingen nodig zijn.

Dit houdt in dat Europa ten aanzien van de Verenigde Staten een actiever beleid zal moeten voeren. In dit beleid moet tot uiting komen dat de VS tot op zekere hoogte een `vreemde' mogendheid zijn: onze waardenstelsels lopen niet in alle gevallen parallel en waar onze belangen gelijksoortig zijn, zal de praktische behartiging daarvan aan weerszijden van de Atlantische Oceaan verschillend zijn. Zo legt Europa in zijn optreden tegenover dwarsliggende landen de nadruk op diplomatieke overreding en economische prikkels, terwijl de VS meer hechten aan militaire druk en economische sancties.

Nu doet zich het probleem voor dat Europa de komende twee jaar een zwak Amerikaans leiderschap tegenover zich vindt. De Lewinsky-affaire heeft de positie van president Clinton duidelijk ondermijnd, en de komende presidentsverkiezingen zullen de macht van zijn ambt verder uithollen. Een zwakke leiding betekent een minder coherent, minder voorspelbaar Amerikaans buitenlands beleid. Bovenal betekent het meer ruimte voor diverse binnenlandse lobbygroepen die hun belangen opgenomen willen zien in dat buitenlandse beleid. De manier waarop een onderneming als Chiquita eigenhandig in staat bleek de Amerikaanse regering tot op de rand van een handelsoorlog te brengen, is nog slechts het voorspel van wat ons te wachten staat. Zwakte en incoherentie aan Amerikaanse zijde vergen een grotere vastberadenheid, wijsheid en coherentie van Europa. En dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan.

Zowel op economisch als op veiligheidsgebied worden we geconfronteerd met twee fundamentele vragen. Moet het partnerschap tussen VS en EU zich over de hele wereld gaan uitstrekken? En moet het partnerschap zich laten leiden door het internationaal recht of door nationale belangen? De mondialisering van de transatlantische economische strategie zou stroken met de actuele economische tendens waarin markten steeds meer terrein winnen op nationale en regionale grenzen. Mondialisering van het transatlantische partnerschap op veiligheidsgebied is daarentegen vermoedelijk een kostbare, tweedracht zaaiende en uiteindelijk zinloze onderneming. De geschiedenis van de Amerikaans-Europese relaties in samenhang met het Midden-Oosten toont bijvoorbeeld aan hoe kwetsbaar Europa is voor een dominante positie van de Amerikanen elders in de wereld. Ondanks alle economische steun die Europa in deze regio verleende, houden de VS geen rekening met het Europese standpunt inzake het Israelisch-Palestijnse conflict.

Het vermogen van het Westen een liberale internationale orde te handhaven en niet een eng opgevat, om niet te zeggen zelfzuchtig, nationaal belang, zou als uitgangspunt voor het transatlantische partnerschap moeten dienen. Het Amerikaans-Europese partnerschap moet zich erop richten de `atlantische' invloed binnen de internationale instituties te versterken in plaats van deze te omzeilen.

Op veiligheidsgebied moet Europa zich verzetten tegen pogingen om van de NAVO een `belangen-alliantie' te maken die zich boven het internationale recht stelt zonder zich iets van de OESO of de Verenigde Naties aan te trekken. De keus is niet realisme of idealisme, maar een gezamenlijke dan wel een egoïstische visie op veiligheid en ontwikkeling. Internationale normen vallen vaak ten offer aan getouwtrek om de macht, en hetzelfde geldt voor opvattingen over nationale, of Westerse, belangen.

Amerika zal qualitate qua de leiding hebben in welk Atlantisch partnerschap ook. Europa, met zijn interne verdeeldheid en kwestieuze legitimiteit als internationale mogendheid, is niet in staat zelf leiding te geven. Het verwachte succes van de euro brengt hierin geen drastische veranderingen. Niettemin zal de aard van dat Amerikaanse leiderschap in samenspraak met en uiteindelijk met instemming van de Europeanen tot stand moeten komen. De huidige neiging van de VS tot eigenmachtig optreden tegenover Europese en andere partners zal onherroepelijk meer conflicten dan samenwerking opleveren, om van reëel partnerschap maar te zwijgen.

We hebben behoefte aan meer serieuze politieke discussie tussen Europa en Amerika. Op de lange termijn kan een partnerschap slechts berusten op een wederzijds naar elkaar toegroeien van economieën, samenlevingsvormen en nationale culturen. Daarom is het nodig een coherent Europees electoraat te herscheppen en tot bloei te laten komen zodat het in staat is een dialoog en samenwerking aan te gaan over de Atlantische Oceaan heen.

De transatlantische relaties zijn te belangrijk om ze aan professionele politici over te laten.

William Wallace is docent internationale betrekkingen aan de London School of Economics en Jan Zielonka is hoogleraar politieke wetenschappen aan het Europees Instituut in Florence.