Decaan

Ik kan me niet onttrekken aan de gedachte dat Anton van Hooff in zijn, overigens interessante, artikel over de MUB (NRC Handelsblad, 20 februari) de decaan die hij eerst `een beminnelijke baas' noemt, verderop ongewild afschildert als een onmenselijke schurk.

Ik citeer: `Met Shakespeare zeg ik dat hij een achtenswaardig man is'. Deze term, `achtenswaardig man', bij Shakespeare `honourable man', wordt gebruikt in de `funeral speech' die Mark Anthony houdt na de dood van Julius Caesar in het gelijknamige toneelstuk (III.2, regel 70-250).

Anthony's gebruik van de woorden `honourable man' is echter uiterst ironisch. Hij moet de mensen die hij toespreekt mee zien te krijgen in zijn haat tegen `Brutus, and the rest', zonder hen al direct aan het begin af te schrikken.

Iedere keer dat Anthony de term gebruikt is deze meer geladen, tot uiteindelijk zelfs het in zijn ogen domme publiek voor hem het door heeft: ,,They were traitors. Honourable men!'' (regel 151) en verderop ,,They were villains, murderers!'' (153), tot zij zelfs wraak gaan nemen: ,,Revenge,/About, seek, burn, fire, kill, slay!/Let not a traitor live!''

Ik kan mij niet voorstellen dat Van Hooff een dergelijke ironische lading meegeeft aan zijn gebruik van `achtenswaardig'.