De Spelen van '36

Het artikel `Spelen van Berlijn 1936 werden al verkocht' (NRC Handelsblad, 22 februari) moet als ongeloofwaardig worden aangemerkt. De Amerikaanse Avery Brundage, van 1952-1972 president van het Internationaal Olympisch Comité, zou voor de oorlog rond de verkiezing van Berlijn een bedenkelijke rol hebben gespeeld. Het Simon Wiesenthal Centrum in Los Angeles voert als bewijs daarvoor aan dat het constructiebedrijf van Brundage twee jaar na die bewuste Spelen opdracht heeft gekregen om de Duitse ambassade in Washington te bouwen.

Op 13 mei 1931 kreeg Berlijn de Spelen van 1936 toegewezen. Er waren maar twee steden kandidaat, want de Spelen waren toen nog op geen stukken na het prestigeproject voor een land zoals dat na 1984 het geval is. Bij de stemming per post versloeg Berlijn Barcelona met 43-16 bij acht onthoudingen. Had Avery Brundage daarbij een vinger in de pap? Geenszins. Hij was in 1931 niet eens IOC-lid, dat werd hij pas in 1936. Hij kon derhalve zijn stem niet eens hebben verkwanseld. Dat Brundage in de loop van de jaren dertig pro-Duits werd, is juist, maar dat was voor de stemming binnen het IOC dus volstrekt irrelevant.

De nazi's hadden de macht nog niet in 1931, dus van een bedenkelijke politieke keuze van de IOC-leden kon ook niet worden gesproken. De nazi's stonden zelfs aanvankelijk afwijzend tegenover de Spelen: `een onderneming van het internationale jodendom' werd het in hun publicaties (Der Stürmer, Völkischer Beobachter) genoemd. Pas later zagen ze (en met name Goebbels) er de propagandistische waarde van in.

De Belgische graaf Henri de Baillet-Latour, IOC-president van 1925-1942, zou ook een scheve schaats hebben gereden, want hij deed later zijn Banque de la Société Generale de Belgique over aan Deutsche Bank', volgens het Wiesenthal Centrum.

Maar de Belgische graaf zal toch in 1931 (toen het IOC voor Berlijn stemde) niet hebben geweten dat hij jaren na de Spelen zijn aandelen onder een heel ander Duits regime van de hand zou doen?