De echo van de slavenketens

Elke februari viert Amerika Black History Month. Toevallig net in de laatste week ervan, is een blanke racist ter dood veroordeeld wegens de gruwelijke moord op een zwarte man. Maar hoeveel er ook veranderd is in de VS, af en toe grijpt het verleden de zwarte Amerikanen bij hun lurven.

Een meisje van een jaar of zeven zit geknield voor een vitrine. Ze kijkt aandachtig naar een oude foto van een man die aan een boomtak bungelt, zijn voeten een stukje boven de grond, zijn nek geknakt. Het meisje is zwart. De man ook. Naast de foto ligt een puntige, witte kap van fijn katoen. Een bijschrift vermeldt dat de kap gedragen werd door leden van de racistische organisatie Ku Klux Klan. Maar nu ligt hij, keurig gestreken, achter glas in het Museum of African American History in Detroit.

Februari is in Amerika Black History Month. De scholen besteden dan extra aandacht aan de geschiedenis van de zwarte Amerikanen. Radio en televisie maken deze maand hun programmering wat minder blank. Boekhandels en bibliotheken stallen prominent boeken van en over Afro-Amerikanen uit. Musea organiseren speciale tentoonstellingen. De president grijpt de gelegenheid meestal aan om een lang verwaarloosde zwarte held te onderscheiden. En daarna wordt het maart.

Dit jaar is deze collectieve geschiedenisles luid overstemd door de spoken van het verleden die nog steeds rondwaren in de steden en dorpen van Amerika. In het plaatsje Jasper, in Texas, werd afgelopen donderdag een man ter dood veroordeeld voor een racistische moord die herinneringen oproept aan de lynchpartijen eind vorige, begin deze eeuw. In New York groeide de toch al diepgewortelde angst van de zwarte bevolking voor de politie nog verder, nadat vier blanke agenten een ongewapende en onschuldige zwarte immigrant uit Afrika voor de deur van zijn appartement met 41 kogels doorzeefden. En in Riverside, een voorstad van Los Angeles, demonstreerden zwarten en blanken tegen de politie, omdat agenten een negentienjarige zwarte vrouw, die bij een tankstation in haar auto zat, met een spervuur van kogels hadden doodgeschoten. Was dat ook gebeurd als ze blank was geweest?

De combinatie van de rauwe actualiteit met de hooggestemde educatieve projecten van de Black History Month, levert een verwarrende collage van indrukken op die bij elkaar echter een goed beeld geeft van de complexe verhouding tussen zwart en blank in Amerika. Het nieuws uit Jasper, New York en Riverside suggereert dat het racistische verleden nog springlevend is en dat het zwarte Amerikanen nog iedere dag bij hun lurven kan grijpen. Maar de ernst waarmee mensen door het hele land hun best doen om dat racistische verleden te overwinnen – voor de klas, in het museum, in het culturele en politieke debat of in de rechtszaal – laat tegelijkertijd zien hoeveel er veranderd is.

Op een particuliere school in Washington maakte een zwarte lerares haar zeven- en achtjarige (merendeels blanke) leerlingen de afgelopen weken op een speelse manier vertrouwd met de Burgerrechtenbeweging. De ene keer verscheen ze voor de klas met een donker herenpak aan en een snorretje opgeplakt; pas toen ze een toespraak begon te houden herkenden de kinderen dat ze dominee Martin Luther King, Jr. was. De volgende keer kwam ze naar school in een zomerjurkje, met twee vlechtjes in haar haar en wat schoolboeken onder haar arm: nu was ze Ruby Bridges, het zesjarige meisje dat in 1960 in New Orleans als eerste zwarte leerling de rassenscheiding op lagere scholen doorbrak.

Zwarte encyclopedie

De befaamde intellectueel W.E.B. Du Bois, die 1909 als eerste zwarte aan de Harvard Universiteit promoveerde, beschouwde ontwetendheid als de belangrijkste oorzaak van racisme. Dat bracht hem op het idee om een encyclopedie van de zwarte wereld samen te stellen. Du Bois, die in 1963 in Ghana overleed, heeft alleen het begin van dat project kunnen meemaken. En zelfs nu zijn er nog slechts drie delen verschenen van de Encyclopedia Africana. Uiteindelijk moet het werk, dat tot stand komt onder leiding van Afrikaanse geleerden, twintig delen omvatten.

Maar in de Verenigde Staten is de droom van Du Bois ook opgepakt en in snel tempo verwezenlijkt door Henry Louis Gates Jr., schrijver van essays en ook directeur van het invloedrijke centrum voor Afro-Amerikaanse studies aan Harvard. Op een set van twee cd-roms is vorige maand bij Microsoft een electronische encyclopedie van de zwarte geschiedenis en cultuur verschenen, Encarta Africana, bezorgd door Gates en zijn collega Kwame Anthony Appiah.

De encyclopedie is niet alleen informatief, maar ook een feest om elektronisch in te neuzen. De mogelijkheden van het medium zijn goed uitgebuit. In de meer dan drieduizend artikelen worden zulke uiteenlopende onderwerpen behandeld als het ontstaan van Malawi, de geschiedenis van de slavernij, de oorlogen in Angola en O.J. Simpson, om maar een greep te doen. Er is ook aandacht voor Zwarte Piet en de Surinamers in de Bijlmermeer. Behalve talloze prenten, foto's en kaartjes, zijn er ook stukjes historische film te zien en veel muzikale fragmenten te beluisteren.

Met een klik van de muis hoor je de toonhoogte van de Nigeriaanse talking drum en blader je van juju naar blues, naar jazz, naar rap, naar vallenato, van het officieuze volkslied van zwart Amerika (de Negro National Anthem Lift Ev'ry Voice and Sing) naar King Sunny Adé. Microsoft heeft aangekondigd achtduizend exemplaren van de encyclopedie te zullen schenken aan bibliotheken, universiteiten en scholen, onder meer in het arme zuiden en de verpauperde binnensteden van Amerika.

De cd-rom maakt deel uit van een golf van publicaties over Afro-Amerikanen, hun geschiedenis en hun positie in de Amerikaanse samenleving. Eind vorig jaar verscheen bijvoorbeeld een boek met twee casettes, waarop in de jaren dertig opgenomen interviews te horen zijn met voormalige slaven. Over Thurgood Marshall, de eerste zwarte rechter in het Hooggerechtshof, is een biografie verschenen. Er zijn ook net studies uitgekomen naar het leven van welgestelde zwarten in deze eeuw, naar zwarte soldaten in de Burgeroorlog, naar de invloed van de slavernij op de hedendaagse zwarte cultuur, en ga zo maar door.

Maar al die informatie en uitingen van culturele bloei, hoe belangrijk ook, veranderen op korte termijn weinig aan het feit dat de verhoudingen tussen blanken en zwarten voor veel Amerikanen nog steeds een waar mijnenveld zijn. Zó groot is het onderlinge onbegrip vaak, en de vermeende vijandigheid, dat veel mensen aan weerszijden van de raciale scheidslijn elkaar alleen nog maar met de grootste omzichtigheid tegemoet treden. Met iemand van een ander ras spreken over raciale gevoeligheden, zei een journalist onlangs op de publieke radio, kan een intiemere ervaring zijn dan seks.

Hoe snel de vlam in de pan kan slaan, bleek onlangs in Washington, toen de (blanke) ombudsman van de stad zijn baan verloor omdat hij het woord `niggardly' had gebruikt. Een verbolgen (zwarte) collega meende in dit wat ouderwetse woord, dat krenterig betekent en volgens het woordenboek geen raciale connotatie heeft, het ernstige scheldwoord `nigger' te horen. De ombudsman erkende dat hij verzuimd had om rekening te houden met de mogelijke gevoeligheden van zijn collega, en pakte schuldbewust zijn biezen.

In een situatie die zo gecompliceerd is, wekt het nauwelijks verwondering dat er onlangs een behulpzaam boekje is verschenen met tips voor de omgang tussen zwart en blank. ,,Als er een boek bestaat dat me leert om een lunch te bestellen in het Portugees, dan moet er toch ook een boek zijn dat zwarte en blanke Amerikanen helpt om de raciale verkeerstekens te ontcijferen'', schrijft Bruce A. Jacobs in Race Manners; Navigating the Minefield Between Black and White Americans.

Jacobs vertelt over een hilarische sketch van de zwarte komiek Eddie Murphy, die speelt dat hij als een brother-with-an-attitude, een arrogante zwarte, aankomt op een luchthaven in Texas. Een behulpzame blanke kruier komt naar hem toe en vraagt: Is dit uw koffer? Waarop Murphy eeuwen van opgekropte woede de vrije loop laat: ,,Yeah, it's my fucking bag! Is daar iets mis mee? Mag een zwarte man soms geen koffer hebben?'' De scène is onweerstaanbaar grappig, schrijft Jacobs, voor iedere zwarte die zich heeft aangeleerd om altijd op zijn hoede te zijn voor racisme. En hij voegt eraan toe: ,,Blanken verwijten zwarten vaak dat ze overgevoelig zijn. En wij zwarten antwoorden dan dat we goede redenen hebben om te overgevoelig te zijn.''

Jacobs stelt zich voor dat Murphy en de kruier vervolgens in een gesprek verwikkeld raken, het soort van gesprek dat blanken en zwarten volgens hem veel vaker zouden moeten voeren. ,,De kruier pakt de arm van de zwarte passagier en vraagt wat zijn probleem is. De zwarte passagier zegt dat niet ver hier vandaan drie blanke racistische psychopaten een zwarte man achter hun truck hebben gebonden en meegesleurd hebben tot hij dood was. En dat het soms niet meevalt om in één oogopslag te zien wie je koffers wil dragen, en wie erop uit is om je vlees op het wegdek te smeren. De zwarte man zegt dat zijn achterdocht hem misschien ooit nog eens zijn leven of zijn trots zal redden. Waarop de kruier hem aankijkt en zegt dat het een hel moet zijn om zo te leven. De zwarte man antwoordt: Ja, dat is het zeker.''

Het grote probleem, stelt Jacob, is dat blanken en zwarten dezelfde wereld op een totaal andere manier zien, omdat ze er totaal andere ervaringen mee hebben. Iedere zwarte man weet hoe moeilijk het is om op Manhattan een taxi aan te houden, zegt hij. Hoe frustrerend het is om op de snelweg keer op keer te worden aangehouden door de politie voor een zogenaamde routinecontrole, maar in feite, zo luidt de bittere grap, wegens het misdrijf driving while black. Iedere zwarte man die wel eens ziet hoe vrouwen bij wie hij in de lift stapt onmiddellijk hun tas wat dichter tegen zich aandrukken, die weet dat racisme nog op grote schaal bestaat, en dat zijn huidskleur hem het leven in Amerika niet makkelijk maakt.

Of het iedere keer ook werkelijk racisme is, valt niet te bewijzen. Maar blanken, aldus Jacobs, onderkennen het hele probleem niet omdat ze het niet uit eigen ervaring kennen. ,,Als je blank bent moet je om te beginnen aannemen dat zwarte mensen dit soort dingen niet uit hun duim zuigen'', stelt hij.

Schietgrage beschermers

Het grootste verschil tussen blank en zwart zit 'm in de manier waarop ze de politie zien: als beschermers van de openbare orde, danwel als een vijandige en schietgrage bezettingsmacht van overwegend zwarte buurten. De manier waarop vier Newyorkse agenten begin deze maand per vergissing de Afrikaanse straatventer Amadou Diallo doodschoten is door de advocaat Johnnie Cochran omschreven als de zoveelste executie van een onschuldige zwarte man door racistische blanke politie-agenten.

Veel Afro-Amerikanen zijn het eens met die observatie van de voormalige advocaat van O.J. Simpson. Ze hebben hun vertrouwen in politie en justitie volledig verloren. Maar al te goed herinneren ze zich talloze gevallen van wangedrag van de politie, waarvan de bekendste zaak nog steeds de op video vastgelegde mishandeling is van de zwarte automobilist Rodney King, in Los Angeles in 1991. De haat tegen de politie verklaart volgens Bruce Jacobs ook de vreugde waarmee veel zwarten in 1995 de vrijspraak van O.J. Simpson begroetten. Of Simpson zijn vrouw en haar vriend vermoord had of niet, maakte hen niet zoveel uit. Maar dat de berucht racistische politie van Los Angeles een nederlaag leed, dat stemde velen intens tevreden.

De gewelddadige dood van de negentienjarige zwarte vrouw Tyisha Miller uit Riverside, die bij een benzinestation in haar auto zat toen de politie haar onder vuur nam, is in Californië een cause célèbre geworden. Voor velen is het geval een nieuw bewijs van de racistische instelling van de politie. Zozeer zijn demonstranten tegen Millers dood daarvan overtuigd, dat ze niets willen weten van een vergelijking van de zaak-Miller met het geval van een blanke 35-jarige man, die omstreeks dezelfde tijd onder onduidelijke omstandigheden en zonder overtuigende reden door politie-agenten is doodgeschoten.

De gruwelijke `sleepmoord' in Jasper laat zien dat het racistische verleden in Texas nog niet is uitgebannen, maar tegelijk ook dat er de afgelopen decennia veel veranderd is. De drie blanke daders, de 24-jarige racist John William King en zijn twee medeplichtigen, gaven een zwarte man, James Byrd Jr., op een nacht in juni een lift, brachten hem naar een afgelegen plek, mishandelden hem daar, bonden zijn enkels bij elkaar, maakten hem met een ketting vast achter hun pickup-truck en sleepten hem net zolang voort tot zijn hoofd van zijn romp was gescheiden. Het was een lynch-partij geheel in de geest van het oude Amerikaanse zuiden.

Nog maar een halve eeuw geleden, merkte The New York Times deze week op, zou zo'n barbaarse actie doodgewoon zijn gevonden, en zelfs als acceptabel vermaak zijn gezien. Maar nu was heel Jasper, en de rest van het land, diep verontwaardigd over wat King en zijn vrienden hadden gedaan.

Tot 1930 zijn er vierduizend Amerikanen gelyncht, en er moeten tienduizenden lynchers en toeschouwers zijn geweest. Slechts 49 van hen zijn ooit in staat van beschuldiging gesteld, en slechts vier van hen zijn vervolgens in de gevangenis beland. King, die als tatoeages onder meer een opgehangen zwarte man op zijn huid heeft staan en een brandend kruis, symbool van de Ku Klux Klan, kreeg eergisteren de zwaarste straf, de doodstraf.

Tijdens het proces maakten de aanklagers van King met één bewijsstuk in het bijzonder een diepe indruk: de zware, roestige ketting van bijna acht meter lang, waaraan Byrd was voortgesleept. In het Museum of African American History in Detroit liggen in een vitrine authentieke hand-, enkel- en halsboeien, waarmee de slaven tijdens de overtocht in de slavenschepen werden vastgeklonken. In het gerammel van de ketting in de doodstille rechtszaal in Jasper, klonk voor iedereen met historisch besef duidelijk hoorbaar de echo mee van de ketenen van de slaven.