Biologie in Ness-Ziona

Het Israel Institute for Biological Research (iibr) in Ness-Ziona was de beoogde afnemer van de grondstof voor het zenuwgas sarin dat aanwezig was in de verongelukte el al-Boeing. Een zoektocht op het internet wijst uit dat het verrichte onderzoek aan het iibr bestaat uit een bizarre combinatie van bezigheden die maar binnen één kader betekenis krijgt: dat van de chemische en biologische oorlogsvoering.

IN EEN OPLOPEND conflict met Israel over de mogelijke productie van zenuwgas kwam de Egyptische ambassadeur bij de Verenigde Naties, Mahmoud Riad, in het voorjaar van 1963 met een verrassende mededeling. Hij verklaarde dat Egypte over informatie beschikte waaruit bleek dat het Israelische Weizmann Instituut `veel onderzoek deed aan bacteriologische wapens'. De Israelische premier Golda Meir had een paar weken eerder beweerd dat Duitse geleerden Egypte hielpen bij de ontwikkeling van zenuwgas, maar zekreeg een onaangenaam koekje van eigen deeg. Jaren later is komen vast te staan dat Egypte rond 1963 inderdaad aan de productie van zenuwgas werkte. Maar voor de aantijging aan het adres van Israel is nooit een spoor van bewijs gevonden. Die is altijd als politieke laster afgedaan.

De Egyptische ambassadeur zat er dan ook naast. Niet het `Weizmann Institute of Science' in Rehovot werkte aan biologische wapens, maar het een paar kilometer verderop gelegen `Israel Institute for Biological Research' in Ness-Ziona. Dat is het instituut dat in oktober vorig jaar in het nieuws kwam als de beoogde afnemer van de grondstof voor het zenuwgas sarin dat aanwezig was in de El Al-Boeing die in oktober 1992 in de Bijlmer verongelukte. Begin jaren zestig werd er hard gewerkt aan ziekteverwekkende virussen en bacteriën die met behulp van muggen, teken en rattenvlooien te verspreiden waren. En aan de ontwikkeling van zenuwgassen.

speurtocht

Het IIBR, zoals het zichzelf aanduidt, was omstreeks 1953 na een verwarrende periode uit het Weizmann Instituut ontstaan en begon omstreeks 1959 zijn huidige naam te gebruiken. Het vroegste onderzoek van het instituut is te karakteriseren als een gehaaste, maar grondige en evident succesrijke speurtocht naar bruikbare syntheseroutes voor zenuwgassen en andere biologisch interessante verbindingen. Al binnen een paar jaar verschijnen ook vergiffen van natuurlijke herkomst (in dit verband doorgaans toxinen genoemd) in het pakket: plantaardige, dierlijke en later ook bacteriële toxinen. Gif van wespen, schorpioenen en diverse slangen. Voordat de jaren zestig aanbreken zijn ook muggen en rattenvlooien en de bacterie Yersinia pestis in het onderzoek opgenomen. Yersinia pestis is de veroorzaker van de pest.

Het zijn geen wetenschappers in gewetensnood die dit opeens naar buiten brengen, er waren geen deep throats die in parkeergarages documenten overhandigden, er kwam geen loodgieterswerk aan te pas: grote delen van het Israelische onderzoek aan chemische en biologische wapens zijn gewoon in de open literatuur gepubliceerd. Het ligt daar al sinds 1950 voor het oprapen en is nu dankzij Internet door iedereen te achterhalen. In een poging om een verklaring te vinden voor de Israelisch geheimzinnigheid rond de El Al-ramp, waarbij regelmatig een beroep op de staatsveiligheid is gedaan, heeft NRC Handelsblad gepoogd via wetenschappelijke databases enige kijk te krijgen in de activiteiten van het instituut. Inzicht in de Israelische inspanningen op het gebied van chemische en biologische oorlogsvoering is sowieso van groot belang omdat het land, als laatste Westers georiënteerde natie, weigert de conventies tegen biologische wapens (1972) en die tegen chemische wapens (1993) te ratificeren.

Langs de gangbare wegen komt men niet veel over het instituut aan de weet. Het IIBR, zegt de huidige directeur dr. Avigdor Shafferman, is niet gemachtigd de pers te woord te staan. ``Zelfs Hebreeuws sprekende journalisten worden hier niet toegelaten.'' Hij verwijst voor de woordvoering naar de `Office of the Prime Minister' in Jeruzalem, maar die speelt de bal door naar de regeringswoordvoerder en die houdt resoluut de boot af. Geen interviews.

Dat het instituut in Ness-Ziona betrokken is bij onderzoek naar chemische en biologische wapens is vooral bekend geworden door de affaire-Marcus Klingberg, de epidemioloog die jarenlang adjunct-directeur was van het instituut en in januari 1983 plotseling verdween tijdens een verblijf in Genève. Hij bleek in het geheim te zijn teruggebracht naar Israel en werd later in een besloten proces op beschuldiging van spionage voor de Sovjet-Unie tot langdurige gevangenisstraf veroordeeld. Pas vorige jaar kwam hij vrij, maar nog steeds heeft hij een spreekverbod. Het Franse tijdschrift Le nouvel observateur bracht in januari 1994 een uitvoerig artikel over Klingberg waarvoor kennelijk goed geïnformeerde bronnen zijn geraadpleegd. Opmerkelijk is dat het blad de viroloog Robert Goldwasser, lange tijd de `baas' van Klingberg, te spreken kreeg. Volgens auteur René Backmann werkte het IIBR in Klingbergs tijd aan 43 niet-conventionele strijdmiddelen, variërend van zenuwgassen tot schimmeltoxinen en bacteriën. Achteraf valt te zeggen: dat kan best waar zijn.

Al eerder, in 1972, had de Britse chemicus en jurist Julian Perry Robinson van de University of Sussex in Brighton, een van de meest vooraanstaande deskundigen op het gebied van chemische en biologische wapens (CBW), een kritische blik op het IIBR geworpen. In deel twee van een vijfdelige serie over CBW besteedt hij een halve pagina aan de activiteiten van Israel. Hij stelt vast dat uit een IIBR-publicatie van 1963 nauwelijks iets anders valt af te leiden dan dat Israel aan VX-verwante zenuwgassen ontwikkelt. (De structuur en synthese van VX was op dat moment buiten de VS nog niet bekend.) In dezelfde alinea wijst hij op de opvallende, jarenlange steun van het Amerikaanse leger voor het toxine-onderzoek van het Rogoff-Wellcome instituut in Petah-Tiqva. Dit instituut, en de huidige voortzetting ervan, blijkt op een gecompliceerde wijze te ressorteren onder de Sackler School of Medicine van de Tel Aviv University. Nog steeds doet die school veel onderzoek aan toxinen, voor een deel in samenwerking met het IIBR.

In de marge van zijn reconstructie van het nucleaire programma van Israel noteerde de Amerikaanse journalist Seymour Hersh in 1991 dat de Israeli's niet alleen op nucleair gebied, maar ook op dat van de CBW samenwerkten met de Fransen. Omstreeks 1960 bezochten Israeli's het uitgestrekte testgebied bij Beni Ounif in de Algerijnse Sahara waar Frankrijk met CB-wapens experimenteerde. eAan de goede verstandhouding met Frankijk kwam een eind toen Israel in 1981 een Franse kernreactor in Irak bombardeerde.

In de nervositeit rond de Iraakse bedreiging van Israel kwam in 1990 opnieuw informatie over het IIBR naar buiten. Men bleek er te werken aan tegengiffen tegen zenuwgassen en kon er onderzoeken of tanks voldoende tegen een aanval met mosterdgas waren beveiligd. In februari 1997 berichtte het Israelische parlementslid Rafi Elul, vice-voorzitter van de wetenschapscommissie van de Knesset, dat door de jaren heen al vier doden waren gevallen in het IIBR. Het wordt onmiddellijk ontkend door het bureau van de eerste minister.

Meer valt er uit journalistieke bronnen niet over het instituut in Ness-Ziona aan de weet te komen. Tot op de dag van vandaag is nooit iets inhoudelijks over de activiteiten op het gebied van biologische oorlogsvoering bekendgemaakt. ``Ik herinner me'', zegt de Berlijnse viroloog prof.dr. Erhard Geissler, auteur van een gezaghebbende SIPRI-studie over biologische wapens, ``dat een bevriende Amerikaanse moleculair bioloog die zo'n jaar of 25 geleden de grote instituten van Israel bezocht had bij terugkeer in Californië werd opgevangen door de CIA die hem uitvoerig ondervroeg over zijn indrukken. Waar zijn de Israeli's mee bezig – dat wilde iedereen weten.'' Veel Israel-gangers waren vooral onder de indruk van de omvangrijke muggencultures die ze hadden gezien.

muggen

Geissler weet zich niet meer te herinneren wáár die cultures werden gezien, maar achteraf valt met tamelijk grote zekerheid vast te stellen dat het in Ness-Ziona of op de Hebrew University in Jeruzalem moet zijn geweest. Want Israelische onderzoekers hebben in alle openheid over het kweken van muggen gepubliceerd. En het valt niet moeilijk om hun interesse voor muggen, teken en rattenvlooien direct in verband te brengen met een programma voor biologische oorlogsvoering, want ook de ziektekiemen die door muggen, teken en rattenvlooien kunnen worden overgedragen, met de veroorzakers van endemische vlektyfus en pest als bekendste voorbeelden, werden door hen onderzocht. In minstens één geval werd zo'n onderzoek rechtstreeks door het Amerikaanse leger gefinancierd (in 1966). Inmiddels is het gebruik van insecten en andere dieren als `vectoren' voor de overdracht van ziektekiemen waarschijnlijk alweer verlaten, al blijven Amerikaanse en Britse CBW-instituten nog steeds veel over muggen publiceren.

Wie de namen kent van de onderzoekers die op het IIBR werken en werkten vindt met de via Internet te raadplegen databanken als Medline en UnCover en de bestanden van het Amerikaanse patentbureau bijna alle artikelen die zij hebben gepubliceerd na 1965 (Medline gaat niet verder terug). Ook vóór de Internet-tijd waren die bestanden al te raadplegen, maar de benodigde auteursnamen worden tegenwoordig veel makkelijker gevonden. Er is de gewoonte ontstaan om lijsten van deelnemers aan symposia op het net te zetten en veel onderzoekers publiceren er hun curriculum vitae, compleet met een publicatie-overzicht. Universitaire werkgroepen zetten lijsten met aanbevolen lectuur op het net en wetenschappelijke tijdschriften plaatsen er hun inhoudsopgaven. Met Internet-zoekmachines als Northern Light, Excite en HotBot is het verzamelen van auteursnamen kinderspel geworden.

Voor wat betreft het IIBR werden zo'n 140 namen gevonden van personen die nu, of al jaren geleden, geruime tijd in alle openheid vanuit het instituut publiceerden. Volstrekte zekerheid over een positie binnen het IIBR was niet in alle gevallen te krijgen omdat de onderzoekers, conform Israelisch beleid, voortdurend heen en weer schuiven tussen verwante instituten en frequent een `sabbatical year' opnemen in het buitenland. Bijna zonder uitzondering in de Verenigde Staten, en niet zelden bij een instituut waarvan de betrokkenheid bij CBW-onderzoek vast staat, zoals het Walter Reed Army Institute, de Uniformed Services University, het Amerikaanse CBW-centrum in Edgewood of de University of Utah.

bizarre combinatie

De vele honderden artikelen die met behulp van de namenlijst gevonden werden laten er geen twijfel over bestaan dat het IIBR Israels voornaamste centrum is voor het onderzoek aan zowel chemische als biologische wapens. Het binnen het instituut verrichte onderzoek bestaat uit een bizarre combinatie van bezigheden die maar binnen één kader betekenis krijgt: dat van de chemische en biologische oorlogsvoering. Er wordt gerapporteerd over meteorologie, mathematische epidemiologie, lidar-onderzoek, detectie van organische fosforverbindingen, weefselkweken van humane en dierlijke cellen, het kweken van virussen, synthese van organische verbindingen, de doorlaatbaarheid van de menselijke huid, de bereiding van interferon en van andere middelen om de afweer tegen virussen te versterken en er wordt opvallend veel onderzoek gedaan aan het enzym acetylcholinesterase. Dat is het enzym waarop zenuwgassen aangrijpen. Het enige echte buitenbeentje is het Alzheimer onderzoek.

Een grote groep IIBR-medewerkers publiceert al sinds 1958 rechtstreeks vanuit het IIBR, of vanuit een Israelisch of Amerikaans instituut waar men enige tijd was gedetacheerd, over juist die virussen, bacteriën en schimmels die bekend zijn van de onderzoekingen van Amerikaanse en Britse BW-instituten (zie tabel). Over de samenstelling van het Brits-Amerikaanse BW-programma is dankzij de inspanningen van diverse kritische buitenstaanders sinds 1968 veel bekend geworden. Het gaat voor een belangrijke deel om virussen en bacteriën die onder natuurlijke omstandigheden door insecten en teken of door knaagdieren worden verspreid. Daarnaast blijken ook de legionairsziekte, de pokken en enige schimmelziekten de interesse van BW-onderzoekers te hebben. Het IIBR sluit zich hier, met wat eigen varianten, in hoofdlijnen bij aan en dat is natuurlijk niet zo vreemd: er is maar een beperkt aantal micro-organismen dat het ruwe gebruik als wapen doorstaat. Opvallend is dat het IIBR ook een aantal dierziekten in onderzoek heeft, vooral pluimveeziekten. Ook dit is een bekend beeld.

Het is van belang op te merken dat in geen van de gevonden artikelen enige verwijzing naar een mogelijk gebruik als biologisch wapen is te vinden. Er is nooit sprake van proefnemingen met mensen. De artikelen bespreken onderzoeksaspecten die elk afzonderlijk boven verdenking staan. Veel onderzoek stáát ook zeker geheel los van BW-onderzoek en is slechts als een afgeleide daarvan te beschouwen. Het is het totaal dat zichtbaar maakt binnen welk kader de organismen worden bestudeerd.

toxinen

Zoals gezegd: het biologisch onderzoek van het IIBR is niet beperkt gebleven tot virussen en bacteriën. Al vanaf de jaren vijftig toont men een grote interesse voor giftige verbindingen van natuurlijke herkomst, voor toxinen. Toxinen zijn aantrekkelijk voor biologische oorlogsvoering omdat ze vaak nog vele malen giftiger zijn dan de toch al extreem gevaarlijke zenuwgassen èn omdat ze op een heel andere wijze aangrijpen in de fysiologische processen waarvan mensen en dieren afhankelijk zijn. De bekende zenuwgassen tabun, soman, sarin en VX (en zelfs de talrijke minder bekende agentia als cyclo-sarin, RVX, amiton) werken alle op dezefde manier. Preventieve en therapeutische medicatie kon daardoor min of meer gestandaardiseerd worden.

Het IIBR is rechtstreeks of, zoals boven beschreven, indirect via samenwerking met andere instituten in verband te brengen met onderzoek aan meer dan tien verschillende toxinen die bijna allemaal bekend zijn van het Amerikaanse BW-onderzoek (zie tabel). Het gaat vaak om exotische verbindingen waarvan een grootschalige productie niet waarschijnlijk is. Aangenomen wordt dat ze vooral bestemd zijn voor `covert use'. CBW-deskundige Julian Perry Robinson, geconfronteerd met de lijst, herkent pilocarpine als het preparaat dat wel werd ingezet door de CIA. Die dienst gebruikte ook saxitoxine en cobra-gif en van de Bulgaarse geheime dienst is ricine bekend geworden. De meest `courante' vertegenwoordiger op de Israelische lijst is waarschijnlijk het Staphylococcus entero-toxine B (afgekort SEB), een toxische verbinding die door de bacterie Staphylococcus aureus wordt afgescheiden. De Amerikanen hebben er tonnen van geproduceerd (en later weer vernietigd). Met de interesse voor elatericine (een plantaardige gif) stond het IIBR tamelijk alleen.

Ook in dit geval moet een relativerende kanttekening worden gemaakt: enkele toxinen hebben ook therapeutische waarde en de meeste zijn van het grootste belang gebleken voor het zuiver wetenschappelijk onderzoek. Maar het IIBR is geen instituut voor zulk onderzoek. Dat is het Weizmann Instituut.

De verrassing in het BW-onderzoek van Ness-Ziona is de grote belangstelling voor zogenoemde `incapacitating agents', stoffen die niet bedoeld zijn om een tegenstander te doden maar om deze voor kortere of langere tijd uit te schakelen. De VS hebben, in de jaren vóór 1970 (het jaar waarin Nixon het offensieve BW-programma beëindigde), vele honderden stoffen getest op dat vermogen en uiteindelijk alleen de hallucinogenen LSD en BZ (quinuclidinebenzilaat, QNB) grootschalig in productie genomen. Serieuze plannen om die ooit als strijdmiddel in te zetten zijn er misschien wel nooit geweest omdat de preparaten onvoorspelbaar in hun werking bleken en vaak blijvende hersenschade aanrichtten. (Het BZ of QNB was laatst in het nieuws omdat het door het Servische leger zou zijn gebruikt.) Van IIBR-onderzoek aan LSD en QNB is niets gebleken, wel zijn veel van QNB afgeleide verbindingen onderzocht. Sommige daarvan, die ook in Irak zijn aangetroffen, zijn even berucht geworden.

Al in 1969 wordt in een artikel in het vakblad Tetrahedron openlijk door onderzoekers van het IIBR een speurtocht naar psychotrope agentia genoemd. Een jaar eerder was hetzelfde onderzoek in het Israel Journal of Chemistry nog als een `systematische studie' naar verbindingen `van mogelijk biologisch belang' beschreven. Uiteindelijk heeft de IIBR-speurtocht naar `nuttige' incapacitantia geleid tot onderzoek aan stoffen van zeer uiteenlopend karakter. Men vindt artikelen over stoffen die hevige pijn veroorzaken (bradykinine), stoffen (`convulsants') die een slachtoffer doen stuiptrekken, en een lange reeks zeer beruchte preparaten die de geestelijke vermogens aantasten. Daarnaast vindt men, zoals te verwachten is, stoffen die de aangerichte schade weer kunnen herstellen: endorfinen, anti-psychotica, anti-convulsants. De aan het Department of Peace Studies van de Bradford University verbonden neurofysioloog prof.dr. Malcolm Dando, die in 1996 een verontrustend boek over de opkomst van non-lethal weapons publiceerde, toonde zich over geen van de preparaten zeer verbaasd. Israel onderzoekt de gangbare moderne incapacitantia.

Zo blijkt de omvang van het Israelische BW-onderzoek tegelijk schokkend en – voor de BW-deskundige – weinig opzienbarend. Bij die conclusie mag niet uit het oog worden verloren dat natuurlijk maar een deel van de beschikbare literatuur gevonden is en, belangrijker, dat het IIBR zeer waarschijnlijk maar een fractie van het verrichte onderzoek aan de openbaarheid prijs geeft. Van zijn Britse evenknie in Porton Down wordt aangenomen, zegt Perry Robinson, dat het maar zo'n 20 procent van het verrichte werk publiceert.

alzheimer-onderzoek

Het ontbreekt ook niet aan aanwijzingen voor een grote geheimhouding. Veel IIBR-onderzoekers publiceren maar eens in de drie jaar, nog minder frequent of helemaal niet, en van veel onderzoekingen ontbreekt een heldere inkadering in een of ander langlopend programma. Continue onderzoekslijnen zijn eigenlijk alleen zichtbaar in onderzoek dat absoluut boven verdenking staat, zoals het fundamentele onderzoek aan acetylcholinesterase en het Alzheimer-onderzoek.

Het is bovendien onvoorstelbaar dat het IIBR nu uitgerekend géén onderzoek deed of doet aan de klassieke, `gerenommeerde' biologische wapens die de Arabische buurlanden in ontwikkeling hebben: de anthrax-bacil en het toxine botuline, het dodelijke gif dat door de bacterie Clostridium botulinum wordt geproduceerd. Daarover was niet één artikel te vinden. De meeste geraadpleegde deskundigen achten het aannemelijk dat dit soort onderzoek in de eerste plaats geheim wordt gehouden omdat het binnen eigen land tot onrust zou leiden. Het onderzoek aan de pest-bacterie ontsnapte dan kennelijk aan die overweging. Dat in een Israelische televisie-uitzending van februari 1998 bekend werd gemaakt dat proeven werden gedaan met een anthrax-vaccin `dat in Ness-Ziona was ontwikkeld' zal ook wel niet de bedoeling zijn geweest.

Overigens biedt het Internet-onderzoek een aannemelijke verklaring voor de gesignaleerde hiaten in het CBW-onderzoek van het IIBR. Het blijkt dat het Israelische CBW-programma allerminst beperkt is tot Ness-Ziona, maar dat eigenlijk alle grote wetenschappelijke instituten van het land aan het programma bijdragen, met de orthodoxe Bar Ilan Universiteit als enige uitzondering. De samenwerking met het dichtbij gelegen Weizmann Instituut en die met de Hebrew University is voor een deel historisch bepaald. Beide instituten kennen een zeer omvangrijk en internationaal befaamd onderzoek aan acetylcholinesterase dat al voor 1950 (!) op gang kwam en nauw aansluit bij dat van het IIBR. Het Medical Corps van de Israelische strijdkrachten (IDF) voegt er de klinische onderzoekingen aan de verdediging tegen cholinesterase-remmers aan toe.

Verrassend is dat de Hebrew University bovendien nog werkt of werkte aan de ontwikkeling van nieuwe varianten mosterdgas, een strijdgas waarover het IIBR nooit publiceerde. Ook blijkt de Tel Aviv University sinds 1992 wèl uitvoerig over onderzoek aan anthrax te publiceren. Met die universiteit, de Hebrew University en het Weizmann Instituut deelt het IIBR de felle belangstelling voor natuurlijke giffen. Samen hebben zij een ronduit verbluffende hoeveelheid toxinen in onderzoek, waaronder vermaarde als de schimmeltoxinen trichothecene (bekend van de yellow rain) en het pas in 1988 in Japan ontdekte endotheline: een ongekend krachtig, en daarom dodelijk gevaarlijk vaatvernauwend middel dat – nota bene – in het menselijk lichaam zelf wordt aangemaakt, maar zo eenvoudig is te synthetiseren dat het inmiddels als de grootste bedreiging van de conventie tegen biologische wapens wordt beschouwd. Het IIBR publiceert niet over onderzoek aan endothelinen, maar de onderzoekers Kloog en Sokolovsky uit Tel Aviv (waarmee het IIBR regelmatig samenwerkt) wel: sinds 1988.

intentie

Al met al lijkt er voldoende reden om het onderzoek in Israel met grote oplettendheid te volgen en stil te staan bij de vraag: moet al dit werk als louter defensief, hoogstens `verkennend', beschouwd worden of zijn er ook offensieve kanten aan te ontdekken? Veel deskundigen, met Erhard Geissler in Berlijn als exponent, beschouwen dit als een zinledige vraag. Het zal je pas lukken om een offensief programma aan te wijzen als je de feitelijke `weaponization' vindt, zegt Geissler. Het voornaamste onderscheid tussen defensief en offensief onderzoek zit hem in de intentie van de onderzoeker. Wie een waterdichte verdediging wenst tegen een aanval met CBW-wapens zal alle aspecten van het militaire gebruik van die wapens moeten leren kennen. Wie anderzijds besluit tot een offensief programma zal in de eerste plaats de eigen troepen tegen de eigen wapens moeten beschermen. Bijna alles wat offensief ìs kan defensief geduid worden.

De laatste jaren lijkt deze opvatting terrein te verliezen. Zelfs het Amerikaanse `Armed Forces Medical Intelligence Center' werkt aan criteria waaraan laboratoria in verdachte staten getoetst kunnen worden. Voor een oordeel over de bedoelingen van het IIBR is een soortgelijke inspanning van de Amerikaanse hoogleraren Keith Yamamoto (University of California) en Jonathan King (MIT) bruikbaarder. Zij hebben er in hun publicaties onder meer op gewezen dat er nauwelijks defensief belang is te vinden in voortdurende pogingen om toxinen en micro-organismen langs chemische of genetische weg te veranderen (zoals het IIBR doet). En dat de bereiding van vaccins niet als onderdeel van een defensief programma is te `verkopen' (zoals het gebruik is) als toch niet overwogen wordt die vaccins te gaan produceren.

Yamamoto die in 1988 samen met de journalist Charles Piller het beweerd defensieve karakter van het Amerikaanse BW-onderzoek analyseerde (en grote twijfels hield) noemt het zogeheten `micro-encapsuleren' als een techniek die vooral voor offensief onderzoek interessant is. De techniek wordt gebruikt om toxinen of bacteriën, die vaak erg gevoelig zijn voor licht, zuurstof of uitdroging, in te kapselen in een beschermend materiaal dat pas later in het terrein – of in de longen – openbreekt en zijn inhoud vrij geeft. Het is veelzeggend dat het IIBR al voor 1980 onderzoek deed aan microcapsules die zich onder invloed van zonlicht openden. Vanaf dit onderzoek lopen ononderbroken lijnen naar het micro-encapsuleren van bacteriën die insectenplagen moeten onderdrukken (in de landbouw) en het incapsuleren van cobra-gif (voor therapeutische toepassing).

Even nuttig voor het gebruik van bacteriën als strijdmiddel is de techniek van het vriesdrogen die als conserveringstechniek voor bacteriën in de jaren vijftig ingang vond en direct een opvallende belangstelling kreeg van de defensie-laboratoria. Ook het IIBR nam de techniek al eind jaren vijftig in onderzoek. Dat het toen al ging om een studie naar de mogelijkheid om gevriesdroogde bacteriën, die bij het vriesdrogen hun kiemkracht behouden, uiteindelijk als aerosol (een nevel van deeltjes) te verspreiden, is pas expliciet duidelijk geworden uit een IIBR-publicatie van 1994. Het is niet voor niets dat de Verenigde Naties Irak het gebruik van micro-encapsulerings- en droogvriestechnieken verboden hebben.

bergmann

Het bewijs dat Israel een offensief BW-programma heeft is niet door de open literatuur te leveren. Wel valt vast te stellen dat het IIBR uitstekend is ingericht voor zo'n onderzoek. Er is ervaring met het kweken van bacteriën in fermentoren van 250 liter (voor de bereiding van interferon), er is know-how in de bereiding van aerosols, er is een enorm bestand aan proefdieren (muizen, ratten, cavia's, katten, honden en diverse apensoorten, van makaken tot bavianen) en er is één melding gevonden van een proefneming met het (overigens onschuldige) gas SF6 in het veld. Verontrustend zijn de publicaties van IIBR-onderzoeker Eytal over de overlevingskansen van genetisch veranderde bacteriën in de natuur.

Wat betreft de intentie van het IIBR blijkt een analyse van zijn vroegste publicaties nog belangrijke informatie te kunnen verstrekken. In veel van de artikelen over de ontwikkeling van zenuwgas en het vriesdrogen van bacteriën uit de jaren vijftig wordt een zekere Ernst David Bergmann als co-auteur genoemd. Bergmann, die in 1975 stierf, was een organisch chemicus uit Berlijn die direct na de Tweede Wereldoorlog door Chaim Weizmann werd benoemd tot wetenschappelijk directeur van het Weizmann Instituut dat in 1949 was opgericht. Bergmann was, zoals door Seymour Hersh is beschreven, de stuwende kracht achter de ontwikkeling van het Israelische kernwapen. In een juist vorig jaar verschenen studie van Avner Cohen (`Israel and the bomb') wordt uitvoerig uit de doeken gedaan hoe Bergmann poogde al het defensie-onderzoek binnen het Weizmann Instituut te plaatsen. Hij kwam in conflict met Weizmann zelf, die zijn instituut niet afhankelijk van het leger wilde zien, en moest in 1951 zijn post opgeven. Onmiddelijk daarop is hij door premier Ben Gurion benoemd tot diens wetenschappelijk adviseur op het gebied van defensie-onderzoek en kreeg hij minstens vier eigen instituten (`Machons') voor defensie-onderzoek toegewezen, waaronder het vermaarde nucleaire centrum in Dimona. Het heeft er alle schijn van dat `Ness-Ziona' ook onder Bergmanns jurisdictie viel. De karakterschets die Cohen van hem geeft maakt het meer dan waarschijnlijk dat het Bergmann was die besloten heeft, zolang het succes van het nucleaire onderzoek niet vast stond, het gat in de Israelische defensie met chemische en biologische wapens te dichten. Seymour Hersh beschrijft hoe de CIA al lang geleden, los van de persoon Bergmann, tot dezelfde conclusie kwam.

Dat sluit dan de mogelijkheid niet uit, zegt Perry Robinson in Brighton behoedzaam, dat Israel `in and out' biologische wapens is gegaan. Inmiddels is het gat immers gestopt. Maar andere menen dat CBW-wapens voor Israel nog steeds waardevol zijn, omdat de inzet van nucleaire wapens zo makkelijk fatale repercussies kan hebben.

Aan het slot van deze Internet-studie is er de vraag waarom Israel zoveel publiceert over onderzoek dat het, zo te zien, beter geheim kan houden. Daarover wordt zeer verschillend gedacht. De een wijst erop dat Israel alleen door te publiceren toegang krijgt tot de buitenlandse instituten en symposia die voor het land zo belangrijk zijn. Anderen menen dat de – welgekozen – onthullingen deel uitmaken van een zekere afschrikking (zoals Israel ook voordeel kan hebben gehad van de onthullingen over zijn kernwapenprogramma door Vanunu) of juist een rookgordijn leggen.

Het is veel eenvoudiger, zegt dr. Henk Benschop van TNO's Prins Maurits Laboratorium (dat regelmatig samenwerkt met Ness-Ziona). ``Het onderzoek in Ness-Ziona steunt voor een geweldig deel op Amerikaanse `grants' en op rechtstreekse samenwerking met Amerikaanse instituten. Ze moeten wel publiceren, of ze willen of niet.'' Daar valt aan toe te voegen dat het IIBR in vele tientallen verschillende tijdschriften publiceert. Zonder elektronische databank ontstond daaruit vroeger niet snel een totaalbeeld.

De hechte band met de Amerikanen blijkt ook uit de patenten die het IIBR deelt met Amerikaanse instituten en komt verder tot uiting op symposia van het Amerikaanse CBW-centrum in Edgewood waarop naast Canadezen en Britten (met wie een tripartite overeenkomst bestaat) bij voorkeur vertegenwoordigers van slechts twee andere landen worden toegelaten: Israel en Nederland. De gebleken intense Amerikaanse betrokkenheid bij een Israelisch CBW-programma waarvan het defensieve karakter niet is te bewijzen werpt een nieuw licht op de Amerikaanse verontwaardiging over soortgelijke programma's in Syrië, Iran en Irak. Ook in Israel onttrekt het CBW-programma zich immers aan democratische controle. Het betrekkelijke gemak waarmee aard en omvang van het Israelische programma uit de open literatuur zijn af te leiden, staat in contrast met de schaarse mededelingen die erover worden gedaan in hoorzittingen van het Amerikaanse Congres. Zeker is dat de VS in een lastig pakket zitten nu de oude partner hardnekkig blijft weigeren de conventies tegen chemische en biologische wapens te ratificeren.

Met dank aan dr.Jean Pascal Zanders (SIPRI, Stockholm), prof.dr. Julian Perry Robinson (University of Sussex, Brighton) en prof.dr. Malcolm Dando (University of Bradford) voor het openstellen van archieven en dossiers.

Voor extra informatie: zie `Biologie in Ness-Ziona' op website http://www.nrc.nl