Veelzijdig musicus

Sommige musici zijn goud waard. Huub Kerstens, die woensdag op 51-jarige leeftijd door een val in zijn woonboot in Amsterdam om het leven kwam, was als dirigent voor alles inzetbaar. Dat hij bij Gaudeamus het huisensemble leidde was vanzelfsprekend, ook in jury's kon hij niet worden gemist en hoeveel jonge componisten werden niet door Kerstens voor het eerst waarlijk professioneel gesteund?

Kerstens, op 7 juni 1947 in Den Haag geboren, studeerde op het Haagse Koninklijk Conservatorium kerkmuziek, koordirectie, piano en hoorn: dat zegt voldoende over zijn allround-capaciteiten. Lessen in orkestdirectie nam hij nog bij Michel Tabachnik, maar het dirigeren van koren hield hem aanvankelijk vooral bezig. Dat hij in de periode 1975-1984 liefst vier Amsterdamse studentenkoren dirigeerde waar hij hoofdzakelijk nieuwe Nederlandse muziek mee uitvoerde, typeerde hem het meest. Hij stichtte het Koor Nieuwe Muziek van vijftig leden, met nog een kamerkoor en een eigen instrumentaal ensemble, die zich vooral een trouwe aanhang verwierven in de Amsterdamse Posthoornkerk.

Kerstens had een jongensachtige open enthousiaste uitstraling, wat haaks stond op de ernst van zijn onderwerpen, meestal puttend uit Weens expressionistische broeierige sfeer. Hij voelde zich verwant met Mahler en Webern, maar kende door zijn Xenakis Ensemble uiteraard de rituele werken van de Grieks-Franse componist door-en-door, wat eveneens zijn weerslag vond. Dat hij de opera Creon, bestemd voor de Nationale Reisopera in het seizoen 1999-2000 niet meer heeft kunnen voltooien is vooral tragisch wanneer men bedenkt dat zo'n Xenakis-achtig gegeven hem zeker paste.

Pas in het begin van de jaren '80 zette Kerstens ook door als componist, Donemus publiceerde vijfenvijftig werken voor diverse koorbezettingen maar ook solowerken en kamermuziek. Ondanks de titel Untergang voor een compositie voor gemengd koor en kamerensemble op een tekst van Georg Trakl is de sfeer voornamelijk ingetogen dromerig en allerminst gefrustreerd expressionistisch. Kerstens was minder componist dan wel `toondichter', een lyricus op en top. Typerend is dat de spanningen in zijn fluweel ingetogen muziek steeds worden opgelost.

Voor de gerestaureerde Oude Kerk in Amsterdam schreef hij Trakl, een groter opgezet werk voor liefst acht koorgroepen, tien instrumentale groepen en acht klanksporen. Dit in ruimtelijke opstellingen waarin de cirkelgang van leven en dood gesymboliseerd wordt door de tegenstelling van levende en dode (elektronische) stemmen. De laatste regels beschrijven een lege boot die 's avonds het zwarte kanaal afdrijft, engelen dragen bemodderde vleugels. De tekst ontpopt zich als een psalm, eindigend met de woorden `zwijgzaam boven de schedelplaats openen zich Gods gouden ogen'.