Plat zuurkooltorentje

Een vriend van mij heeft het altijd over zijn oudste broer. Zijn broer dit en zijn broer dat. Na het eten, zo vertelt hij, bouwde zijn broer altijd torens van glazen, borden en schalen en kopjes. Hij begon met een pan, daar ging een bord bovenop, dan weer een glas, daarop een kleiner bord en dan weer een kopje en zo maar door. Hele hoge torens werden het, tot het plafond als je hem zou geloven. Hun moeder riep alsmaar dat het niet mocht en hun vader lachte erom. Tot de toren het niet meer hield en de borden en glazen stuk vielen. Toen lachte hij niet meer.

Sommige recepten die mensen bedenken doen daar ook aan denken. Ze stoppen er zoveel in dat de smaak helemaal uit zijn evenwicht raakt en dan valt het recept in duigen. Een heel goede kok heeft mij eens verteld dat hij eigenlijk nooit meer dan drie verschillende dingen op elkaar stapelde. Dat moest genoeg zijn om een mooi torentje op het bord te krijgen. Kon het nooit omvallen.

Salade van zuurkool, dat doet daaraan denken.

Een flinke volle hand zuurkool op het vuur, in een kopje bouillon. Maar water mag ook. Doe er ook een eetlepel plantenolie bij. Rustig laten koken, drie kwartier lang. Vuur uit, vloeistof eraf gieten. Af laten koelen en met je vingers de zuurkool uit elkaar trekken en in een schaal leggen. Giet er twee eetlepels olijfolie en een eetlepel azijn doorheen. Beetje zout erop en ook peper.

Twee hardgekookte eieren pellen en in vieren snijden. Bovenop de zuurkool leggen. Nu nog een kleine rode biet van schil ontdoen en in blokjes snijden. Die strooi je daar weer overheen. Het is niet helemaal een torentje maar toch. Het is een veelkleurig schaaltje van alles geworden, en omvallen is er zeker niet bij.