Oosters meesterwerk

De eerste Nederlandse vertaling van Josef Ibn Zabaras Reis met de duivel is een uitgave die men gemakkelijk over het hoofd ziet. Uitgegeven door de van huis uit protestants-christelijke uitgeverij Kok te Kampen, als eerste aflevering in een wetenschappelijk aandoende serie Joodse Bronnen. Een boek dat tijdrovend oogt, met erudiete inleiding, literatuurlijst, door niet minder dan drie man vertaald en veel voetnoten onderaan de pagina. Daarbij is het een raamvertelling (verwarring inherent: wie is er aan het woord?) en wordt gemeld dat we te maken hebben met een amalgaam van Griekse, joodse, Indische en Arabische achtergronden. Ga daar maar aan staan, als men niet `onthaast' is.

Een raamvertelling bevat een doorlopend verhaal, waarin eigenlijk niet veel gebeurt. Een gezelschap is op reis (zoals in Chaucers Canterbury Tales) of verblijft in woning of herberg (als in Boccaccios Decamerone of Sades 120 Dagen van Sodom) en vertelt elkaar verhalen. In Zabara's Reis met de duivel gaat de `ik' met zekere Enan op weg naar een stad die als ideaal wordt voorgespiegeld, maar ter plekke ernstig teleurstelt - einde geschiedenis. De actie zit in die subverhalen, die geven het hoofdverhaal gestalte.

Men hoeft niet veel van de twaalfde-eeuwse, klassiek en Arabisch geschoolde, joodse arts-schrijver uit het toenmalige christelijke Barcelona van Ibn Zabara te weten, om in te zien dat Reis met de duivel een meesterwerk is, met de allure van Petronius' Satyricon of Apuleius' Gouden ezel. De schat die Fontaine, Schippers en Zwiep voor ons openbaarden, glimt en glanst ook zonder hun toelichtingen, waarin de talloze toespelingen op Bijbel, Plato, Socrates of Talmoed worden verklaard, of woordspelingen worden uitgelegd die in de vertaling van dit oorspronkelijk Hebreeuwse rijmproza uit 1170 wel verloren moesten gaan.

Het kost de aanvankelijk vriendelijke vriend Enan moeite de `ik' over te halen mee op reis te gaan. Vindt diens vrouw het wel goed? Meteen tovert Zabara een schitterende geschiedenis uit de hoed, over de vos en het luipaard, die op zich nog weer vijf ondergeschikte verhalen bevat. Vrouwen zullen zich niet gestreeld voelen door de eigenschappen die hun hier worden toegedicht: ze worden voorgesteld als bandeloos, zondig, slecht, opstandig van geest, lastig, slap van karakter, of lichtzinnig. Luister nooit naar de raad van de vrouw is de slotsom, zodat de `ik' ongehinderd op reis kan. Wijsheid is echter betrekkelijk, net als domheid, en het verbaast dan ook niet dat eenmaal op weg, in andere verhalen vrouwen opduiken die wel degelijk het rechte eind vasthouden.

Je moet de verhalen die Enan en de `ik' vertellen (over de slimme boerenmeid, de oneerlijke voorzanger, het wonder van de lamme of de wasvrouw en de duivel) een paar keer lezen om te begrijpen wat precies hun rol in het hoofdverhaal is, maar dat we met een hechte constructie te maken hebben is duidelijk. In Zabara's compositie valt geen mus zomaar van het dak, zijn woorden zijn uiterst zorgvuldig gekozen. Bij herlezing staat men steeds weer stil bij andere parels in dit rijke proza:

- `Zo jammerde hij vele dagen, tot zijn galblaas openbarstte en zijn lever vanwege zijn woede op de grond werd uitgestort'.

- `De adem uit de keel die van nature warm en droog is, doet de stem ontstaan. De stem stijgt altijd naar de hersenen en droogt die uit en juist door die verdroogde staat van de hersenen worden domheid en dwaasheid in de mens bevorderd.'

- `Iemand zei in woede tot zijn zoon: `Stil, hoerenjong', zijn zoon antwoordde: `Alleen een hoerenjong slaapt met hoeren'.'

Een aparte attractie in Reis met de duivel vormen de passages waarin we de dokter in Zabara herkennen. De medische vragen de ik-figuur stelt bieden een (voor ons soms hilarische) spiegel van de toenmalige stand der wetenschap:

`Weet je of grote dorst veroorzaakt wordt door hitte van de maag of door hitte van de lever?'

Om terug te keren bij het hoofdverhaal van Reis met de duivel: op het moment dat de verteller laatstgenoemde vragen stelt, heeft hij geconstateerd dat Enans `ideale' woonplaats in werkelijkheid een duivels oord is, Enan zelf heeft zich ontmaskerd als kwade vriend. Door vragen te stellen over sterrenkunde en medicijnen – waarop Enan het antwoord niet kent – weet hij zich te bevrijden uit de macht van zijn reisleider en beseft hij: `Ik kan niet wonen in een stad waarin alleen dwazen en lomperiken worden geëerd.' Hij wil naar huis. Waarop wordt afgesloten met een traditioneel `Moge de Almachtige...' en `Amen'.

Op dat moment is de tocht voltooid, door een kakelbont landschap van spreuken en sprookjes, waarheid en satire, wijsheid en domheid, die alle uitkomen bij de gedachte dat het één moeilijk van het ander te onderscheiden is, maar dat men het verste komt door zich bij huis en haard te houden. Om daar bij voorbeeld te kunnen genieten van de grappen en de ernst in Zabara's verrukkelijke, klassieke Reis met de duivel, en je er over te verbazen dat niet iedereen dit meesterwerk kent.

Josef Ibn Zabara: Reis met de duivel. Vertaald door R. Fontaine, A. Schippers en I.E. Zwiep. Uitgeverij Kok, 167 blz. ƒ29,90