Investeren! Opknappen! Koesteren!

Met de Amsterdamse Stadsschouwburg wil het maar niet goed komen. Vorige week werd een nieuw rapport uitgebracht. ,,Drie, vier, vijf miljoen gulden per jaar en een directeur met smaak: dát is de oplossing.''

Naast me ligt een stapel papier van dertien centimeter hoog. De Bijlmerenquête-commissie moet maar raden hoeveel velletjes dat wel niet zijn. Ze zijn de stille getuigen van een andere ramp met een lange voorgeschiedenis en een dito nasleep. Getuigen horen heeft in dit geval geen zin, het is zelfs contraproductief. Aan de tragedie die de Amsterdamse Stadsschouwburg heet, kan vrij eenvoudig een eind komen: door heldere inzichten en daadkrachtig handelen van verstandige bestuurderen. Bestuurderen die niet nog eens een zoveelste `haalbaarheidsonderzoek' naar aanleiding van het zoveelste onderzoek laten uitvoeren: verstándige bestuurderen dus.

Mijn schouwburg-dossier is afkomstig uit het archief van deze krant en beslaat de periode vanaf 1991. Je moet ergens een streep trekken. Er ligt bovendien nog wat lijvigs naast: het rapport dat topambtenaar G. Lawson, van het ministerie van OCW, vorige week uitbracht als resultaat van de opdracht van de gemeente Amsterdam uit te zoeken of het ,,wenselijk en technisch en financieel haalbaar (is) om een zelfstandig vlakke vloertheater te bouwen op de plaats van het achterhuis van de Stadsschouwburg''. Het rapport bevat constateringen als: ,,Belangrijk is ook dat het nieuwe theater (-) een publiekscapaciteit heeft die ligt tussen een grote en een kleine zaal (middenzaal). Dat maakt het tot een ideale zaal voor producties die een groter publiek aantrekken dan de gebruikelijke kleine zaalproducties maar te weinig voor de grote zaal.'' Het rapport heeft niettemin een ton gekost. Goddank geeft Lawson in ruil daarvoor zijn ja-woord. Het is haalbaar.

Mooi, zegt het voort, de gemeenteraad gaat zich erover buigen, we horen nog. Dat Lawson topambtenaar is, zal vast helpen. Die zet men minder makkelijk in het hemd en de kou dan zijn voorgangers.

Doet realisering van de plannen er intussen toe? Nee. Vlakke-vloertheater of niet: de schouwburg hangt als een molensteen om de nek van de gemeente, precies zoals voormalig burgemeester Ed van Thijn jaren geleden al eens verzuchtte.

En de schouwburg zal dat blijven doen.

Snoezepoezerig

Eerst nog even de geschiedenis in vogelvlucht. In 1985 herbergde de schouwburg nog drie huisgezelschappen, die, in de woorden van choreograaf Hans van Manen, `er hun kont niet kunnen keren'. Niet meer voor te stellen, nu, maar het was zo: de Nederlandse Opera, Het Nationale Ballet en Het Publiekstheater deelden gebroederlijk de snoezepoezerige bonbonnière aan `Het Plein'. `'s Lands eerste podium', zoals het in journaille-proza heet. Een jaar later werd alles anders. Opera en ballet verhuisden naar Het Muziektheater, het toneel bleef moederziel alleen achter in de schouwburg. Een schouwburg, waar directeur Berend Boudewijn met visionaire flair zijn ontslag had aangeboden en een roemruchte opvolgster, actrice Cox Habbema, aantrad. Tegelijkertijd werd het futloze en door interne twisten verdeelde huisgezelschap Het Publiekstheater opgeheven en kwam het nieuwe gezelschap Toneelgroep Amsterdam (TGA, dat en passant Toneelgroep Centrum opslokte) onder leiding van Gerardjan Rijnders het overigens alom ingedutte toneel nieuw leven inblazen. Destijds zei Rijnders nog niets over de later door hem verfoeide toneellijst van de schouwburg. Wel noemde hij Cox Habbema `Anneke Grönloh'.

Een frische, fröhliche Krieg heerste tussen beiden, vanaf het begin, maar al helemaal toen Rijnders zich tegen de architectuur van het eind vorige eeuw gebouwde theater begon te keren (al snel) en te kennen gaf `een zwarte doos' te willen in plaats van een negentiende-eeuwse toneellijst. Dertigduizend plannen, onderzoeken, suggesties, proefballonnen en illusies waren het gevolg van die wens, variërend van totale afbraak via aanpassingen tot schouderophalen over de waan van de dag van een even modieuze als verwende theatermaker. Ik geloof niet eens dat Habbema het op het laatste hield, wel was ze mordicus tegen iedere architectonische of slooptechnische ingreep en kreeg de strijd aan het Leidseplein dientengevolge zo nu en dan toch nog grimmige trekken.

Toen al, maar achteraf bezien zeker, was de oorlog tussen de huisbazin en haar huurder folklore of hooguit een complicerende factor van het echte probleem, namelijk het loutere bestaan van de Stadsschouwburg. Het gebouw stond en staat er, het is zelfs – vooruit dan maar – 's lands eerste podium en het schept dus verplichtingen. Verplichtingen die Berend Boudewijn met het vertrek van twee vaste bewoners levensgroot op zich zag afkomen, verplichtingen ook waarvan hij voorzag dat hij er niet aan zou kunnen voldoen. Verplichtingen die Habbema op haar beurt onderkende en waar ze iedere twee weken in interviews in de Amsterdamse krant Het Parool op wees. Toen Amsterdam in mei 1987, negen maanden na haar aantreden, twaalf miljoen gulden wilde bezuinigen op de kunstbegroting en overwoog de Stadsschouwburg te privatiseren, zei ze: ,,Ik heb al eerder gezegd dat de Stadsschouwburg het meeste opbrengt als je hem in de brand steekt. Het gebouw is goed verzekerd.''

Prikkelend als altijd en ze had bovendien gelijk - en niet alleen omdat het gebouw voor bijna honderd miljoen verzekerd is. In het boek Rozen en tomaten, over de geschiedenis van de schouwburg, vertelde ze ook dat er nogal eens mensen langskwamen die het gebouw wilde kopen. ,,En dan zeg ik niet: dan moet u zich tot de gemeente wenden, want ik ben bang dat de gemeente dan ja zegt.'' Haar in geestig cynisme verpakte boodschap luidde kortom steeds dat Amsterdam moet investeren in het gebouw dat er nu eenmaal staat, dat het onderhouden moet worden, geverfd, opgeknapt, gekoesterd en dat het door het vertrek van opera en ballet veroorzaakte vacuüm in de programmering niet met liefdewerk en oud papier kan worden gedicht. De vijf ton waarvoor de gemeente een programmering van `internationale allure' - weer zo'n uitsluitend door provincialen gekoesterd woordenpaar - verlangt, zijn liefdewerk, oud papier.

Vijf miljoen

Dat Rijnders c.s. in 1993 gedeeltelijk de wijk namen naar het Transformatorhuis op het Westergasfabriekterrein, een tijdelijke vervulling van hun wens, was en is niet het probleem, die stap maakte het gat in de programmering alleen maar groter. Zoals dat vlakke-vloertheater van Lawson dat zal doen. Het moet er maar komen en het zal er wel komen, maar een oplossing is het niet. Drie, vier, vijf miljoen gulden per jaar en een directeur met smaak: dát is de oplossing.

Maar wat is nu Lawsons voorstel, behalve dat theater? Dat een `artistiek ondernemer van Europees niveau' leiding gaat geven aan zowel TGA als de Stadsschouwburg. Niet alleen overstijgt hij met die aanbeveling strikt genomen zijn opdracht, hij opent er ook de poorten naar de hel mee, overigens geheel in overeenstemming met de huidige leiding van het gezelschap, die per 2001 opstapt. Het noemen van namen brengt het heilloze van het idee meteen aan het licht. Stel (ik verplaats me even naar de positie van TGA) dat de nieuwe ondernemer Cox Habbema heet, dan wel zich als zodanig ontpopt of zelfs een nog grotere `Anneke Grönloh' blijkt te zijn? Dan is Leiden in last en wel heviger dan ooit tevoren. Want deze functionaris heeft ook inzake het artistiek beleid van TGA het laatste woord; het in het rapport opgenomen organogram, waarin de gezelschapsleider net als bijvoorbeeld de directeur technische dienst als adjunct van de `artistiek ondernemer' figureert, sluit ieder misverstand over de pikorde uit. En iedere illusie over vrede aan Het Plein.

Natuurlijk, TGA gaat uit van een het gezelschap welgezinde opperbaas, maar het gezelschap vergeet dat het slechts een onderdeel van diens verantwoordelijkheden is. Hij moet ook nog programmeren, de zaal volkrijgen, zijn stempel op `het huis' drukken, de boekhouding bewaken, subsidies genereren, sponsors fêteren – allemaal belangen die strijdig (kunnen) zijn met het artistieke belang van het toneelgezelschap. (Habbema klaagde in haar tijd dan ook niet zozeer over het repertoire van TGA, maar over de lege zalen die dat tot gevolg had.) Men wijst nu naar het Duitse model (alsof dat zaligmakend is, ik ken andere verhalen), maar daar beschikt ieder theater over een orkest en een dans-, opera- en toneelgezelschap, die samen wel enige behoefte hebben aan een verkeersagent aan de top.

De situatie in de Amsterdamse Stadsschouwburg (met of zonder vlakke-vloertheater) kan veel beter vergeleken worden met die in het Concertgebouw. Daar hebben het gebouw en orkest ieder een eigen directie, die elkaar, in wankel evenwicht soms, dwingen topkwaliteit na te streven. Anders dan het orkest ontvangt het gebouw, privaat eigendom, geen cent subsidie, maar de programmeur heeft wel de beschikking over een tweeduizend stoelen tellende, wereldvermaarde zaal en heeft de mogelijkheid om avond na avond buitenlandse vedetten te programmeren.

De programmering van de Amsterdamse Stadsschouwburg doet al jaren niet onder voor die van de Rotterdamse schouwburg (die over een hoger budget beschikt en niettemin minder publiek trekt). Toch werd Cox Habbema beschimpt en Carel Alons, de gewezen directeur in Rotterdam, de hemel in geprezen. Feiten tellen helemaal niet, nee, mythes, daar is men tuk op. Daarom verwacht men nu het heil van een `ondernemer' (ja, heus, we zijn van deze tijd en doen aan marketing) en daarom worden Ivo van Hove en Jacques van Veen, respectievelijk artistiek en zakelijk leider van het Holland Festival, alvast getipt voor die functie. Die hebben te kampen met het vertrek van de helft van hun producers en moeten nog zonder kleerscheuren hun tweede festivaleditie zien af te leveren, maar de mythe wil nu eenmaal dat ze golden boys zijn.

Toch nog maar even afwachten, Amsterdam, zou ik zeggen, en intussen eindelijk eens kijken of er niet nog wat centen over zijn voor een ordentelijk programmeringsbudget voor de nieuwe schouwburgdirecteur. Vast wel. Toen het balkon van de schouwburg het dreigde te begeven en voetbalhuldigingen niet langer mogelijk leken te zijn, was er ook ineens geld voor een algehele onknapbeurt. Geld waar minstens twee schouwburgdirecteuren in successie jarenlang vergeefs om gezeurd hebben.

Mooi, zegt het voort, de gemeenteraad gaat zich erover buigen, we horen nog