Huizinga

Roelof van Gelder, in zijn bespreking van de zevende druk van Johan Huizinga: `Nederlands beschaving in de zeventiende eeuw' (Boeken, 29.1.99), heeft moeite met taalgebruik en schrijfstijl van de auteur; hij vindt die `erg uit de tijd'. Een oordeel, denk ik, dat moeilijk voor tegenspraak vatbaar is. Waar ik echter moeite mee heb, is zijn opmerking dat `deze taal nog het beste tot zijn recht komt, galmend op de kansel van het Groot-Auditorium van de Leidse Universiteit'.

Ik weet niet of Van Gelder het interieur van deze academische gehoorzaal uit eigen aanschouwing kent. Dan zou hij weten dat er geen kansel maar een katheder is; geen preekstoel, maar een spreekgestoelte. Zij, wie het voorrecht ten deel valt vanaf deze plaats het woord te mogen voeren, doen dit doorgaans niet op galmende toon. Zelfs de mechanische geluidsversterking is niet in staat een zodanig effect te produceren. Een wetenschappelijke uiteenzetting vraagt, qua toon en stijl, om een andere voordracht dan een preek.

Trouwens, zou er in onze tijd waarin kerken leger geworden zijn (en de kerkgangers kritischer) überhaupt nog wel `galmend', dat is op verhoogde toonsterkte en in hoogdravende taal gepreekt worden? Is dat niet evenzeer uit de tijd? In ieder geval behoeven de toehoorders in het Leidse Groot-Auditorium niet te vrezen een dergelijke ontlading van verbaal geweld over zich heen te krijgen.

    • D. Tjalsma