Hoi-hoi zonder wanhoop

`Hoi bedelaar!' roept de hoofdpersoon van de roman Een roos opeten elke keer als hij een dakloze ziet. Hij roept wel vaker wat, want hij is een vrolijke flierefluiter: `O, wat een geweldig mooi leven komt er voor mij aan, wat een gelukkig leven! Hiep hoi, ik ben gestopt met roken!' De held van de eerste roman van Peter Bekkers huppelt door het leven als een Wammes Waggel die alles enigjes vindt. Het boek staat vol uitroeptekens.

Aanvankelijk wekt zoveel naïviteit en levensvreugd ergernis en achterdocht op, als de eeuwige glimlach van een tot een Oosterse roerbakreligie bekeerde gelovige. Zoveel geluk kan nooit oprecht zijn. Maar het aardige is dat de blijmoedige toon scherp contrasteert met wat de held allemaal overkomt. De slopershamer bedreigt zijn huis; zijn vriendin is zwanger van een ander en wil abortus plegen; de benzinepomp waar hij werkt, wordt overvallen; hij gaat vreemd met de vriendin van zijn vader. Vader betrapt hen, slaat zijn zoon in elkaar en krijgt een hartaanval. En dan gaat ook nog de hond, die Bontjas heet, dood. De beschrijving van deze rampen in die merkwaardige hoi hoistijl is niet alleen grappig maar ook schrijnend. Een goed voorbeeld is een bezoek van de ik-figuur aan een abortuskliniek, `de weghaalchinees van dokter Ping', waar zijn vriendin de vrucht van haar overspel laat weghalen. Hoe je ook over abortusklinieken denkt, weinigen zullen ze associëren met een gezellig middagje uit. Maar de ik vindt het allemaal prachtig. Uitgebreid beschrijft hij de schoonheid van het park rondom de kliniek: `Een jong konijn met een witte staart maakte een dubbele salto in de lucht van levensvreugd. Wat rook het lekker in het park! Ik rook kamperfoelie en jasmijn en de ouderwetse geur van rozen.'

Bekkers stijl doet soms aan die van Arnon Grunberg denken; vergelijkbaar droogkomisch commentaar bij de meest ontluisterende gebeurtenissen, en vergelijkbare slapstickeffecten: in de roman zitten veel doldwaze vechtscènes, een keer zelfs met een omtuimelend fruitstalletje. Wat ontbreekt is Grunbergs ondertoon van verval en wanhoop. Dat lijkt een gemis, maar waarom zou een roman eigenlijk een ondertoon van verval en wanhoop moeten hebben? Wie een klagerig boek schrijft over een rimpelloos leven is een oude zeur, wie een vrolijk boek schrijft over ellende, zal het wel niet menen. Bekkers speelt met dit vooroordeel van de lezer die enige humor accepteert, maar die uiteindelijk toch over ellende en problemen wil lezen. Een roos opeten is gewoon een grappige, luchtige roman. Zoals het motto reeds aankondigt: `It all makes me laugh, but it's still funny (een man op tv).'

Peter Bekkers: Een roos opeten. De Bezige Bij, 209 blz. ƒ34,50

    • Wilfred Takken