Het verlies van de vijand

,,Een bondgenootschap dat zijn vijand kwijtraakt, heeft geen bestaansgrond meer en gaat ten onder.'' Deze stelling verdedigde Arie Elshout, redacteur van de Volkskrant, onlangs in een inleiding voor de Atlantische Commissie. In het hol van de leeuw dus, want Elshout had het over de NAVO.

Nu de historicus (prof.dr.) M.C. Brands in de Volkskrant van gisteren tegen Elshout van leer is getrokken, voel ik me ook enigszins aangesproken, want op 12 februari schreef ik hier dat ik Elshouts inleiding ,,woord voor woord'' kon onderschrijven. Hoewel Elshout natuurlijk mans genoeg is om Brands van dupliek te dienen, zal hij dat waarschijnlijk niet in deze krant doen. Daarom wil ik hier ook een duit in het zakje doen.

Vooraf dit: Elshouts inleiding was een analyse. Met die analyse kan men het al dan niet eens zijn, maar men mag haar niet bestrijden met het verwijt dat hij geen oplossing aan de hand doet. Nog minder mag men uit die analyse concluderen dat de analyticus instemt met het door hem geconstateerde. In casu: nergens blijkt uit Elshouts analyse dat hij instemt met de door hem geconstateerde ondergang van de NAVO. Ik neem aan dat hij die eerder betreurt. Maar noch instemming noch treurnis is relevant ten opzichte van de waarde van de analyse.

Dit woord vooraf is in Nederland niet overbodig, want hier worden analyse en instemming voortdurend door elkaar gehaald. Waarschijnlijk is dit doordat wij nog altijd een domineesland zijn. De filosofie is hier nog altijd kind van de theologie. Hetzelfde geldt voor de gewoonte om van de analyticus te vergen dat hij met een oplossing op te proppen komt. Tot mijn verwondering ontkomt ook Brands niet helemaal aan die erfenis.

Maar eerst Brands' bestrijding van Elshouts analyse. ,,Welke politieke instelling is niet tot in het merg door de plotselinge verdwijning van het Sovjetregime overrompeld?'', vraagt hij. ,,Moeten we nu concluderen dat ook de EU haar toekomst verloren heeft? [...] Het hangt af van het aanpassingsvermogen van deze instellingen.''

Inderdaad, maar tonen die instellingen zoveel aanpassingsvermogen? De NAVO heeft net in Rambouillet een echec geleden: zelfs het dreigen met geweld heeft de Serviërs niet tot het doen van de gewenste concessies gebracht, en de Kosovaren bleken ook niet onder de indruk. En wat de EU betreft: nog steeds is zij niet tot eenparig politiek handelen in staat, en haar grootste succes tot dusver, de euro, is nog niet het succes gebleken dat ervan verwacht werd.

,,Er is geen grote vijand meer `voorhanden','' alleen nog maar `schurkenstaten', constateert Elshout. Waarop Brands vraagt: ,,Is een ernstige, instabiele toestand in de Russische Federatie [...] ook nog te rangschikken in de b-categorie? Niet een Rusland dat een gevaar is door zijn macht, maar door zijn desintegratie?'' Natuurlijk is dit een gevaar, maar het wordt niet als bedreiging van ons grondgebied beschouwd, wat veertig jaar lang de ratio van de NAVO was.

Maar dan stelt Brands een tweede vraag, waarmee het punt van discussie verschuift: ,,Hoeveel veiligheidsproblemen of andere problemen bestaan er nu niet in Europa waarin Washington direct of op afstand een cruciale dempende rol speelt, soms als scheidsrechter?'' Brands heeft het hier plotseling niet meer over de NAVO, maar over Washington – en dat is een heel verschil.

Immers, Washington (kortschrift voor de Verenigde Staten) is een soevereine staat, die soeverein kan beslissen. De NAVO, waarvan de VS weliswaar verreweg de machtigste lidstaat is, is daarentegen een organisatie van soevereine staten, die slechts tot een beslissing komt wanneer alle het eens zijn, en helaas: alle zijn het niet altijd eens, zeker niet nu het gezamenlijk grondgebied niet meer bedreigd wordt.

Daarom ook is Dayton gelukt, maar Rambouillet niet. De diplomatieke operatie die vrede in Bosnië tot stand bracht, was geheel in Amerikaanse handen. De VS konden in Dayton vrijelijk druk uitoefenen op deze of gene van de partijen. In Rambouillet zouden de Europeanen wel eens laten zien dat ze dat ook konden. Het lukte niet – ook niet nadat de Amerikanen, in de personen van mevrouw Albright en generaal Clark, een handje kwamen helpen.

Volgens Brands is Washington ,,nog steeds bereid – onder zwaardere voorwaarden – de leidinggevende rol te spelen''. Wat zijn die voorwaarden? 1. Europeanen moeten zelf het voortouw nemen; 2. Europeanen moeten meer aan eigen defensie besteden (zoals Amerikanen doen); 3. Washington zou meer op Europese steun moeten kunnen rekenen, wanneer het gaat om brandhaarden buiten het NAVO-verdragsgebied.

Let wel: Brands heeft het nu helemaal niet meer over de NAVO als instelling – onderwerp van Elshouts stelling – maar over Washington. Het verschil heb ik hierboven uiteengezet. Maar belangrijker is de vraag of er kans op is dat de Europeanen die `zwaardere voorwaarden' van de Amerikanen, die op zichzelf billijk zijn, zullen willen vervullen.

Ja, het voortouw willen ze wel nemen, maar wat gebeurt er dan (àls er iets gebeurt)? Zie Rambouillet. En de andere voorwaarden? Zijn ze bereid meer aan hun defensie te besteden? Vraag het aan minister De Grave. Zijn ze bereid tot steun aan acties buiten het NAVO-grondgebied? Sommigen alleen als Washington de spits afbijt en de zwaarste last draagt, anderen helemaal niet.

Trouwens, Brands is zelf pessimistisch over die Europese bereidheid. ,,Wij zouden nog eindeloos doordelibereren wanneer Europeanen onder elkaar hadden moeten uitmaken of en, zo ja, hoe de NAVO oostwaarts uitgebreid had moeten worden.'' En: ,,Veiligheidsbewustzijn is in Europa pover ontwikkeld.'' En: ,,Het is de meeste Europese NAVO-lidstaten tot nog toe niet gelukt enig plausibel antwoord te geven aan Amerikaanse vragen over burden sharing en steun aan acties buiten NAVO-gebied.

,,Daar moet met grote inspanning een Europees antwoord op gevonden worden'', zegt Brands, die daarmee het terrein van de analyse en contra-analyse verlaat en dat van de vaderlandse dominee betreedt. Ja, het moet. Of liever: het zou moeten. Maar de preliminaire vraag is: zal het ook gebeuren? Wie Brands' eigen analyse volgt, kan niet anders dan pessismistisch zijn.

Kortom, ook uit Brands' bestrijding van Elshouts analyse komt een somber beeld van de NAVO naar voren. Niemand zou verbaasd moeten zijn als de Amerikanen op een goed ogenblik tegen hun Europese bondgenoten zouden zeggen: jullie zoeken het verder maar zelf uit. Zou dit alles niet iets te maken hebben met het verlies van de gemeenschappelijke vijand?