Grabbelton Citroën

Het is te danken aan een opstandige schoonvader dat het automerk `Citroën' heet en geen `Limoenman', zo blijkt uit de biografie van grondlegger André Citroën op de cd-rom De Legende Citroën.

André's betovergrootvader Jacob was een zoon van de in Amsterdam geboren Mozes David, die voor de burgerlijke stand een achternaam moest kiezen. De man was groenteboer en liet zich dan ook maar inschrijven als `Limoenman'. Zijn kleinzoon Barend wijzigde, op verzoek van zijn toekomstige schoonvader, die naam in Citroen. De Franse nazaten bleven zo heten; tot André zich meldde bij het Lycée Condorcet, waar een ijverige administrateur een trema op de e zette. Zo komt het dat een Citroën Xantia vandaag de dag geen Limoenman Xantia heet.

Voor liefhebbers is elke biografie leuk, maar die van André Citroën is fascinerend. Hij werd in 1878 geboren, in een tijd die werd beheerst door de filosofie van het positivisme. Wetenschap en techniek zouden de mensheid niets dan goeds brengen. André wist toen nog niet dat zijn bedrijf op een zeker ogenblik 50.000 granaten per dag zou maken.

De begaafde knaap moest van zijn moeder ingenieur worden en ging naar de befaamde École Polytechnique. Meteen na zijn militaire dienst kocht hij een octrooi op tandwielen met pijlvertanding, waaraan de Double Chevrons in het Citroënlogo nog altijd herinneren.

Op zijn 34ste werd André directeur van de autofabriek Mors. Binnen zes jaar werd de productie vertienvoudigd en besloot hij voor zichzelf te beginnen, omringd door een aantal geniale medewerkers. De Eerste Wereldoorlog betekende dat de eigen autofabriek werd uitgesteld. Citroën begreep dat de Franse troepen het vrijwel zonder munitie moesten stellen en bouwde een fabriek in Parijs waar in korte tijd aan de lopende band bommen werden geproduceerd. Door vrouwen, de mannen lagen aan het front.

Pas na de oorlog schakelde Citroën over op de productie van auto's, die als eerste in Europa in serie werden geproduceerd. Citroën had dat afgekeken van Henri Ford, zoals hij zijn hele leven alles heeft afgekeken. Zijn talent bestond eigenlijk uit het op de auto-industrie toepassen van alle nouveautés die hij om zich heen zag.

De veel eerder begonnen aartsconcurrent Louis Renault heeft eigenlijk continu het nakijken gehad. Dat gold niet alleen de techniek. Citroën was de eerste die een dealernet opzette, auto's met garantie en `nazorg' - aprés vente - verkocht en klanten een persoonlijke lening aanbood; kortom de autohandel schiep zoals die tegenwoordig bestaat.

Bovenal had André Citroën megalomane trekken. Hij liet aan de Place de l'Europe een gigantische showroom bouwen, die ruimte bood aan driehonderd auto's. Hij liet zijn naam in een lichtreclame over de hele lengte van de Eiffeltoren aanbrengen. En toen zijn nieuwe fabriek in het hartje van de crisis in 1929 werd geopend, zaten er 6.333 genodigden aan het banket.

Citroën's minachting voor geld leidde in 1934 tot zijn faillissement. Een jaar later overleed hij aan kanker. Zijn kist werd in een Renault naar de begraafplaats gebracht.

De cd-rom De Legende Citroën biedt bepaald niet alleen de biografie, het is een verrukkelijke grabbelton voor fans van het merk, die alle modellen, de vernieuwingen en de uitdagingen aan zich voorbij willen laten trekken, ondersteund door passende muziekjes. En er valt eindeloos te grabbelen in de ruim duizend foto's en veertien filmfragmenten. Ook feitelijk valt er niets aan te merken op de cd-rom. De redactie van De Legende bestond dan ook uit Jaques Wolgensinger, Olivier de Serres, Fabien Sabat'es en Serge Bellu, allen kopstukken op het gebied van de Citroënhistorie.

De Legende Citroën, Elmar Multimedia, ISBN 90389 0794x, Prijs 79,95