Feest voor de moeder aller woordenboeken

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) is met veertig banden en 45.000 bladzijden het grootste woordenboek ter wereld. Het kostte vijf generaties redacteuren - in totaal 63 mannen en vrouwen - bijna honderdvijftig jaar om dit kolossale werk te voltooien. Dat is een prestatie van de eerste orde. Uitgeverij Sdu leverde ook een indrukwekkende prestatie door op de dag dat de voltooiing van het WNT in Leiden werd gevierd, met vier titels over dit mammoetwerk te komen: een themanummer van het vaktijdschrift Trefwoord, een bundeling van stukken over woordenboeken en hun makers uit de eerste negen nummers van dit tijdschrift plus nog eens twee uitstekende studies: een `duografie' over De Vries en Te Winkel en een boek dat voor het grootste deel is volgeschreven door redacteuren van het WNT. De viering gaat trouwens nog steeds door: zojuist is in de Universiteitsbibliotheek van Leiden een bescheiden tentoonstelling geopend over het bronnenmateriaal van het WNT en er komt nog een congresbundel aan.

F. Heyvaert (red.) e.a.: Het grootste woordenboek ter wereld Paperback, Sdu, 434 blz. ƒ49,90

Valt er dan zoveel over het WNT te vertellen? Zeker. Honderdvijftig jaar is een lange tijd om aan een boek te werken en in die jaren is er veel gebeurd. Uitgevers dreigden het bijltje erbij neer te gooien, er werden talloze vetes uitgevochten en de Nederlandse en Vlaamse overheid, die dit soort kostbare projecten financierden, zijn een paar keer van plan geweest om de geldkraan dicht te draaien. Doorslaggevend was uiteindelijk de beslissing, die in 1976 werd genomen, om geen bronnenmateriaal van ná 1921 meer te verwerken. Anders dreigde het Woordenboek nooit af te komen. Daarmee werd ook het karakter van het WNT definitief bepaald: het is een historisch wetenschappelijk woordenboek dat op basis van miljoenen citaten de taal analyseert van 1500 tot 1921. Omdat de beslissing om in 1921 te stoppen pas later werd genomen, zitten er ook wel woorden in van ná die tijd, maar op dat punt is het Woordenboek verre van compleet. Er zitten trouwens wel meer gaten in, want aanvankelijk was het beleid om geen woorden op te nemen die uit een andere taal waren geleend.

De Vries en Te Winkel

Het WNT werd in de steigers gezet door Matthias de Vries (1820-1892) en door L.A. te Winkel (1809-1868). De Vries ontwierp het theoretisch model voor het Woordenboek, waarbij hij zich vooral liet inspireren door de Duitse gebroeders Grimm. Te Winkel was de drijvende kracht achter de spellingherziening van 1864 en samen maakten zij de eerste afleveringen van het Woordenboek. Over De Vries en Te Winkel bestaan geen biografieën, hoewel zeker De Vries in de tweede helft van de negentiende eeuw een sleutelfiguur is geweest in de Nederlandse taalkunde. Die leemte is ook nu nog niet gevuld. `Om De Vries binnen de negentiende-eeuwse wetenschapsgeschiedenis definitiever te kunnen situeren, moeten nog veel meer brieven en archiefstukken worden opgespoord', schrijven Noordegraaf en Van Driel in het voorwoord bij hun duografie, maar ondertussen raadpleegden zij méér brieven en archiefstukken over dit tweetal dan wie ook. Van Te Winkel is overigens niet zoveel bewaard gebleven. Van Driel houdt zich al jaren met hem bezig, maar wist in deze publicatie toch weer het nodige toe te voegen.

Van Driel en Noordegraaf hebben een knap en onderhoudend boek geschreven. Gelukkig hebben zij er niet voor gekozen om twee biografische portretten achter elkaar te plakken. In plaats daarvan volgen zij in korte hoofdstukken de loopbanen van De Vries en Te Winkel, totdat de twee elkaar ergens in het boek letterlijk de hand schudden. Dat is een knappe constructie die overigens ook nadelen heeft, want door de levens van hun hoofdpersonen zo gelijk te laten oplopen, komen er ook heel wat herhalingen in het boek voor.

Uit de duografie van De Vries en Te Winkel rijst een tamelijk benauwend beeld op van het taalkundige wereldje in de tweede helft van de negentiende eeuw. Het is maar een klein clubje dat zich de hele tijd met elkaar bemoeit. Er wordt wat heen en weer geschoven met eredoctoraten, er worden posten verdeeld en collega's worden flink tegengewerkt. De Vries speelt in dit alles een zeer belangrijke rol. Het is moeilijk vat op hem te krijgen maar draaien en konkelen waren hem zeker niet vreemd. De Vries was ijdel en liet zich graag van alles aanleunen, maar Van Driel en Noordegraaf weten zijn faam soms te temperen. Zo wordt algemeen aangenomen dat vooral De Vries zich aanvankelijk met het etymologische gedeelte van het WNT heeft beziggehouden, maar volgens Van Driel en Noordegraaf kan dit niet staande worden gehouden.

Te Winkel komt uit het boek naar voren als gecompliceerde man: zachtmoedig in de directe omgang, maar een vreselijke gifkikker op papier. Een zeer scherp stilist, maar een waardeloze spreker in het openbaar, die ten minste een keer belachelijk werd gemaakt op een congres. Een van de medewerkers van het WNT noemde hem op een gegeven moment een karakterloze hielenlikker. Maar Van Driel en Noordegraaf maken ook duidelijk dat deze autodidact uitgroeide tot een van de grote taalgeleerden van de negentiende eeuw, een autoriteit waar niemand omheen kon. Ze doen dat op een weloverwogen manier zonder dat hun boek - dat ook nog eens uitstekend is geïllustreerd - nergens saai wordt, en dat is heel verdienstelijk.

Wat uit Het grootste woordenboek ter wereld vooral naar voren komt, is dat het maken van het WNT een onvoorstelbaar gecompliceerde klus is geweest. Organisatorisch, inhoudelijk en politiek zijn er bergen verzet om `de moeder van alle woordenboeken', zoals het WNT wel eens wordt genoemd, af te krijgen. Het aardige van deze bundel, waarin negentien bijdragen zijn opgenomen van verschillende auteurs, is dat nu ook eens het werk van de assistenten wordt belicht. De hoofdredacteuren en diverse redacteuren zijn wel eens in het zonnetje gezet, maar hoe zit het nu met die tientallen mensen die het voorbereidend werk hebben gedaan, met de assistenten die het materiaal verzamelden, de correctors en de kopijklaarmakers?

Een hoogtepunt wat dit betreft is de bijdrage van Adriaan Verschelling, hoofd materiaalverzameling van het WNT. Verschelling heeft een uitvoerige bijdrage geschreven, compleet met schema's, tabellen en statistieken, over de materiaalverzameling van het WNT in de fase van voltooiing, dat wil zeggen van 1966 en 1994. Het stuk van Verschelling heeft een zeer hoog Het Bureau-gehalte: er zitten enkele fraaie anekdotes in, het is inhoudelijk soms onthutsend en kafkaësk en het is allemaal uiterst nauwkeurig opgegeschreven. Zo lezen we bijvoorbeeld over Rapenburg 68, een oude vestiging van de redactie: `Achter deze ruimte was een keukentje (2.20 x 3.80) dat diende als koffiekamer.' Een groot deel van het werk van de assistenten bestond uit het met een kroontjespen uitschrijven van citaten. Die moesten niet te lang en niet te kort zijn en precies zó dat de betekenis van een woord uit de context duidelijk werd. Ook moest er het nodige worden geknipt en geplakt.

Verschelling rekent voor dat de uitschrijfnorm in 1973 op exact 2,77 fiche per uur werd gesteld. Nergens in Nederland moet de komst van het kopieerapparaat zo'n schok hebben veroorzaakt als hier. Die apparaten werden in het begin verafschuwd, aldus Verschelling. Een hele bedrijfscultuur ging op de schop. Uit alles blijkt overigens de grote liefde die Verschelling voor zijn vak heeft. Zo schrijft hij ergens over de assistent die nog wel gelegenheid had om zich echt in het uitgeschreven citaat te verdiepen: `Voor die assistent waren er mogelijkheden te over om kunststukjes te vervaardigen en flonkerende kristallen aan te brengen in de betekenisstructuren van de redactionele artikelen'.

Op de vuist

Wat ook overduidelijk uit deze bundel blijkt is dat het niet altijd een pretje is geweest om bij het WNT te werken. Redacteuren spraken jarenlang niet met elkaar maar stuurden wel boze brieven naar de directie. Het was er extreem hiërarchisch en de spanningen liepen soms hoog op. Verschelling vertelt dat er wel eens redacteuren met elkaar op de vuist zijn gegaan en er is ook wel eens met een bijbel gegooid. Uit de bijdrage van P.G.J. van Sterkenburg over de hoofredacteuren van het WNT, komt een vrij pijnlijk beeld naar voren van C. Kruyskamp, de man die de Grote Van Dale tot een begrip maakte. Wetenschappelijk was Kruyskamp een zwaargewicht, maar hij miste iedere tact om leiding te geven, zo oordeelde een ambtenaar. Elders blijkt weer dat hij een enorme zuurpruim was.

Dit soort kleine weetjes zorgen voor de nodige afwisseling in deze bundel, die ook zware lexicografische kost bevat, zoals een knap artikel van Egbert Beijk en Hans Westgeest over `het eerste lid in werk-samenstellingen'. Erg onderhoudend vond ik het artikel van Rob Tempelaars over de ruim drieduizend brieven die de redactie van het WNT in de afgelopen anderhalve eeuw heeft ontvangen. Daarin duiken de namen van vele bekende Nederlandse en Vlaamse schrijvers en taalkundigen op. Tempelaars stipt ook enkele aardige kwesties aan, zoals de vraag of Jan Vrijman nu werkelijk de bedenker is van het woord nozem, zoals je zo vaak leest. Uit brieven van onder andere P.J. Meertens en de Rotterdamse schrijver Willem van Iependaal blijkt dat dit absoluut niet het geval is, want nozem was al vóór 1914 vrij algemeen bekend in Rotterdam.

Met deze boeken en met de themanummers van Trefwoord is nog steeds niet het hele verhaal van het WNT verteld. En ook niet van de mensen die een cruciale rol hebben gespeeld bij de totstandkoming ervan. Maar het zijn zeer waardevolle en onderhoudende bijdragen die het beeld wel completer maken.

Nicoline van der Sijs (red.): Woordenboeken en hun makers. Sdu, 273 blz. ƒ39,90

L. van Driel, J. Noordegraaf: De Vries en Te Winkel, een duografie. Sdu, 269 blz. ƒ39,90

Roland de Bonth e.a. (red.): Trefwoord 13. Sdu, 246 blz. ƒ44,90

    • Ewoud Sanders