Een saluut aan Nicolien

Een tussendoortje, die indruk maakt de nieuwe roman van J.J. Voskuil in eerste instantie. Het vijfde deel van zijn romancyclus Het Bureau is nog maar net uit en naast de 916 pagina's van die uitgave doen de nog geen tweehonderd bladzijden van dit boekje, De moeder van Nicolien, bescheiden aan. Het werd geschreven op basis van fragmenten uit Het Bureau, de personages zijn dezelfde: Maarten Koning en zijn vrouw Nicolien. Haar moeder is evenmin een onbekende voor lezers van Het Bureau. Die zijn allang gesteld geraakt op haar en haar montere pretentieloze grappen. De uitgever typeert dit boek op de achterflap als een opstapje voor huiverige lezers naar de duizenden pagina's van die, uiteindelijk zeven delen grote, Voskuilroman. Een soort Voskuil voor beginners.

Maar nee.

De moeder van Nicolien is een volwaardige roman die atypisch is voor Voskuil, alleen al omdat hij in een zo kort bestek zo'n enorm onderwerp aansnijdt: het verlies van een moeder, eerst van haar geest, dan van haar wezen ten slotte van haar leven. Het boek warmt zich aan de plotselinge uitbundigheid van die moeder, haar keurige olijkheid, haar sentiment waar haar dochter en schoonzoon bang voor zijn. Het wil voor die moeder een gedenkteken zijn. Of liever, om in haar universum te blijven, een merklap, met zoveel mogelijk soorten siersteekjes, elk symbool voor een ander detail.

Het is al bekend dat dit boek bewerkt zal worden voor het theater: in januari 2000 zal het in première gaan. Dat ligt voor de hand, zo sterk herinnert het soms aan het indrukwekkende toneelstuk U bent mijn moeder (1982) van Joop Admiraal en dat komt door de theatraal-verbale manier van observeren die beiden hanteren: de toestand van de moeder wordt gedefiniëerd door wat ze zegt, in korte tot zeer korte monoloogjes aangezien de dialoog niet langer lukt. `'Ik wou zo graag mijn kind nog eens zien', zegt bij Voskuil de moeder tegen haar dochter Nicolien. In het stuk van Admiraal klonk in een vergelijkbare situatie: ``Hebben wij elkaar al eens eerder ontmoet, of zijn wij elkaar tegen het lijf gelopen?'

De moeder van Nicolien leent zich uitstekend als literair personage. Zij houdt greep op het leven door elke situatie te ketenen in verbale formules, uitdrukkingen, vaste mopjes of in een versje. Maak een vals geintje en ze zegt: `Je mag niet spotten. Spottershuisjes branden'. Lees de krant en ze zegt `de familie Leesgraag', en een tweede kop koffie heet `een tweede gelui'. Haar taal fascineert Maarten, al benart die hem ook. En Voskuil doet er zijn voordeel mee, door met al die gezegden en uitspraken, in kleine zinnen en scherpe woorden te schetsen hoe het dementeren van één mens ook de levens van de naaste getuigen klooft.

Dementie, het is een struikrover. Eerst ligt hij in de bosjes, als je had opgelet dan had je hem opgemerkt, door het kraken van een tak, het plotse opvliegen van een kraai. De struikrover springt tevoorschijn, strekt zijn klauw uit naar je mantelzak en dan nog neem je hem niet serieus, nog denk je dat hij alleen de weg wil vragen. Maar hij berooft je. Van iemand die je lief is, je moeder. Haar geest gaat uit dwalen, steeds verder, tot zij niet meer bij je terug kan keren. Jij bent een vreemde voor haar, zij is alleen aan de buitenkant nog een bekende voor jou.

Zo, volgens dat struikroverpatroon, bouwt Voskuil De moeder van Nicolien op. Niet voor niets is elk kort hoofdstukje voorzien van een datum en jaartal. Aanvankelijk zijn er, jarenlang, slechts kleine signalen van het dementeren van de schoonmoeder van Maarten Koning, superieur ingestoken in verslagen van bezoekjes, logeerpartijtjes of uitjes. Ze herhaalt zich, ze gaat in de verkeerde stoel zitten, ze verstopt, met de laconieke goedkeuring van haar schoonzoon, een parelsnoer in het kolenhok – de tak kraakt, de kraai vliegt op. Dan ineens, enkele pagina's en twee jaar later, kan moeder op bekend terrein de w.c. niet vinden – de struikrover doet een graai. Haar dochter en schoonzoon reageren zoals dat gaat, Oostindisch blind: ``Nou doet ze ineens alsof ze niets meer kan', zegt Nicolien geërgerd en Maarten bestaat het, later, om zijn schoonmoeder zo ver te laten wandelen dat ze er bijna bij neervalt. Angst en wanhoop creëren sadisten, zelfs als het je bloedeigen moeder betreft.

Dan gaat het snel. Nauwgezet brengt Voskuil het proces in kaart, de neergang van de moeder, de emotionele ontwikkeling van haar dochter en schoonzoon, hun groeiende geduld, hun verdriet en de ontroostbaarheid van de moeder, hun onvermijdelijke verraad door een plaats in een verpleeghuis te organiseren.

Maarten en Nicolien zijn kinderen en dat willen ze blijven. Ze zijn kinderloos. In Het Bureau geven ze er beiden blijk van dat het ouderschap voor hen geen voorstelbare optie is. Kan ook niet, als elke verandering een verslechtering betekent, zinloosheid de enige zin van het bestaan is en je wereld drijft op geborgenheid.

Uitgerekend dit echtpaar krijgt te maken met een moeder die zelf een kind wordt, zij het met een ontwikkeling in omgekeerde richting. Ze groeit van een eigenwijze puber in een onhandig schoolmeisje dat de weg kwijtraakt. Vandaar wordt ze een klein kind dat per ongeluk wegloopt en een drenzende kleuter. Dan een wezenloze peuter die wordt rondgereden in een karretje. Maarten geeft het, als menig jonge vader, voor de gein lekker hard vaart. Het ouderschap valt Maarten en Nicolien zwaar, ze zijn inconsequent zoals alle ouders en hebben vaak geen idee hoe ze moeten reageren. Maar ze houden van hun oude kind en ze ontdekken dat dat het belangrijkste is.

Het laatste stadium is de hulpeloosheid van de baby die gevoerd moet worden en tot slot verdwijnt moeder. Het leven herneemt zijn loop. Maarten en Nicolien zitten bevrijd, gelukkig en ontspannen te dineren na de begrafenis. Ontroerende bladzijden schreef Voskuil. Zijn nauwgezette, vaak droogkomische notatie van zorgvuldig geselecteerde dagelijkse beslommeringen zal de niet-Bureau-lezer een openbaring zijn. Wie het boek wèl kent, valt evenzeer een verrassing te beurt. Al is het minder afstandelijk en beeldender en al is het laatste woord in dit boek zelfs `voortreffelijk', het hoort wel degelijk bij Het Bureau. Niet voor niets begint het met Maartens eerste dag in zijn baan bij dat Instituut dat zijn leven redt van de vormeloosheid. Het verleent er perspectief aan.

Voskuil is in deze roman poëtischer en soms bijna filmisch in zijn beschrijvingen. De afstand die hij en zijn alter ego Maarten Koning bewaren tot de andere personages laat hij varen en daarmee ontmaskert hij zijn tactiek. Glashelder wordt hoezeer hij voor Het Bureau elke figuur eerst moet hebben uitgebeend, om het vervolgens op ijs te zetten. Uit De moeder van Nicolien blijkt dat hij in Het Bureau echtgenote Nicolien zeer kort heeft aangebonden. Hij heeft haar gereduceerd tot een onvervulde vrouw die ongenaakbare eisen stelt aan iedereen die haar pad kruist.

In De moeder van Nicolien is het of er een decor wordt opgehaald. Haar personage verandert niet, maar de verte achter haar geeft haar reliëf. De moeder van Nicolien is opgedragen aan `de moeder van L.'. In feite is het een saluut aan Nicolien.

J.J. Voskuil: De moeder van Nicolien. Van Oorschot, 187 blz. ƒ29,90 (pbk), ƒ39,90 (geb.)