Een geheime poort in het decor

Morgensterren, nachtengelen - bij het opbouwen van het decor stonden de toneelknechten heel even zelf in de schijnwerpers: hé, kijk! nieuwe voeten!

Zoals ze daar altijd aan kwamen lopen 's ochtends vroeg, een voor een, uit verschillende hoeken van het grote plein. Het was meestal nog niet eens goed licht en altijd mistig, kil als de blik van iemand aan wie je net één leugen te veel hebt verteld, en met als enige verkeer een grimmig voorttrappende fietser of een lege stadsbus, en dan dat vreemde, tegelijk magische en ontluisterende moment wanneer opeens alle straatlantaarns doven en de stad wakker schrikt. Zoals ze daar aan kwamen lopen, waren het net zombies die uit de nacht terugkeren naar hun tombes.

Johnnie, slungelachtig en met zijn holle wangen en plukkerig geblondeerd haar knap als een Britse popster uit die dagen. Klaas, ruim een kop kleiner, bolle ogen, donkere krullen, zwarte plastic jas en valse lach. En Stein, altijd in hetzelfde gerafelde suède jack en cowboylaarzen, maar ook de enige die met zijn strak naar achteren gekamde natte haar nog zijn best deed om een schijn van frisheid op te houden. O ja, en ik natuurlijk, maar ik stond er meestal al, rillend in de voering van mijn jas, bij het basketballveldje waar de decorwagen ons kwam oppikken om het land in te rijden. Naar de schouwburg in Enschede, of die in Eindhoven, Groningen of Nijmegen – waar het toneelgezelschap waarbij wij als toneelknecht in dienst waren die avond ook maar speelde. Maar het grote verschil tussen hen en mij was dat zij beroeps waren – `lifers' in wat veel weghad van een kleine eenheid van het vreemdelingenlegioen, zo zwaar was de sluier van doem die er over die jongens hing.

Waarschijnlijk waren ze er ooit vol goede moed aan begonnen, met iets van opwinding zelfs, verleid door de glamour van het theater, maar was hun ziel vervolgens stukje bij beetje opgezogen door het halfduister van achter het toneel. Zodat ze nu, in plaats van zich te kunnen koesteren in de weelde van twee werelden, die van de kunsten en de gewone, van beide werelden waren buitengesloten en schimmen waren geworden, morgensterren, nachtengelen.

En dat was precies wat mij had aangetrokken: die schemerige combinatie van doem en engel, zoals die – dacht ik toen – alleen te vinden was aan de zelfkant van het leven. Niet de morsig-banale onderwereld van drank en drugs en misdaad, maar de bodem van de wereld, `ground zero' van de kosmische kaleidoscoop - vanwaar je een rechtstreeks doorkijkje hebt naar de sterren en je alles in zijn ware gedaante kunt zien. Het punt waar de werkelijkheid, zo goed en zo kwaad als het gaat, elk moment van de dag, sneller dan het licht, in elkaar wordt gezet. De zelfkant als de weerbarstige binnenkant, de angel, de ziel van alle dingen – daar kwam ik voor. Mij kon je voorlopig alles wijsmaken.

In het begin waren ze wel nieuwsgierig geweest waarom ik, met alle keus die ik had, eigenlijk dit werk wilde doen, maar wanneer ik mij daar met een grap van afmaakte, drongen ze niet aan. Tenslotte waren ze hun eigen motieven ook lang geleden al per ongeluk expres ergens onderweg vergeten, als een deprimerend boek op het nachtkastje in een hotel.

Wrokkigs

Tijdens de rit werd er sowieso niet veel gesproken. Omdat het vaak nog maar een uur of vijf, zes geleden was dat we afscheid van elkaar hadden genomen en wij nog even niet aan ons eigen, laat staan elkaars bestaan herinnerd wilden worden. Er zat zelfs iets mokkends in. Of we met ruzie uit elkaar waren gegaan en geen van ons van plan was als eerste zijn verontschuldigingen aan te bieden.

Als er al gepraat werd, dan was het Stein die begon. Over wat hij laatst nou weer had meegemaakt: een vrouw die iets verdovends in zijn drank had gemixt om hem langer bij zich te kunnen houden, een pokermarathon in een illegale goktent, een sekstrio met een beroemde tweeling. Of hij was de vorige nacht niet naar bed gegaan omdat hij bezig was geweest zich de basisprincipes van de quantummechanica eigen te maken.

Natuurlijk werd hij daarom uitgelachen, maar nooit te hard, nooit te lang, niet in zijn gezicht. Daarvoor was wat er dan in zijn ogen oplichtte te verontrustend en bovendien: iedereen had recht op zijn eigen gekte. Stein op zijn sterke verhalen, Klaas op zijn lachkicks, Johnnie op zijn loodzware katers en ik op mijn dubieuze rol als `zoon van'. Ieder ontleende zijn laatste restje eigenwaarde inclusief zijn hoop op een ander, beter leven, ergens, ooit, voor een belangrijk deel aan zijn medelijden met de rest.

Op de plaats van bestemming werden wij opgewacht door het personeel van de schouwburg, meestal keurige mannen in stofjas, die iets hoofdschuddends hadden over dat zootje ongeregeld uit Amsterdam dat eruitzag of het net uit de kroeg kwam gerold. Samen met hen werd het decor in hoog tempo uit de vrachtwagen geladen en vervolgens gedurende de rest van de dag op het toneel gezet – dat laatste met een toewijding die mij telkens weer verraste.

Het waren de mooiste uren van de hele onderneming. Er was troost, vergetelheid, zelfs saamhorigheid. Met elke vloerplaat, elke wand en kast en elk glas of boek dat er in die kast werd gezet groeide de verwachting dat er iets bijzonders stond te gebeuren. Iets dat eigenlijk losstond van de voorstelling. De belofte die er in de lucht kwam te hangen – en waarvan je de vervulling bijna kon proeven op het moment dat alles klaarstond en met een klap alle lichten aangingen – die belofte sloeg vooral op ons eigen leven. Alsof het decor dat wij samen hadden opgebouwd een geheime poort bevatte waar wij maar doorheen hoefden te stappen en hé, kijk: nieuwe voeten! nieuwe handen! nieuwe stem! nieuw hart! Alles nieuw, nieuw, licht en nieuw! Gedurende enkele kostbare ogenblikken waren wíj dat, daar, of liever gezegd, hier en nu, in de schijnwerpers.

Misschien wel om die glans nog even vast te kunnen houden, moest en zou er daarna altijd gegeten worden in een van de duurdere restaurants van de stad. Niks Chinees of eetcafé, laat staan snackbar of pizza en bier. Beef Wellington wilden we, Tournedos Rossini, kreeft, zalm, echte servetten, zilver bestek, vioolmuziek, knipmessend personeel, fonkelende conversatie. Godallemachtig, wat een puinhoop. We hadden geen schijn van kans. Met elke hap krabcocktail die zij namen, elke slok Chateauneuf du Pape, viel er een nieuw zwart gat in de grote illusie die wij van het toneel hadden meegesmokkeld. Al snel zagen we zo grauw als Dracula die de haan hoort kraaien op een moment dat hij nog niemand in de nek heeft kunnen bijten.

Terug in de schouwburg werd er zwijgend de laatste hand gelegd aan het decor. Inmiddels waren ook de acteurs en actrices met de bus uit Amsterdam gearriveerd, maar die zagen wij meestal pas vlak voordat het doek opging. Er werden dan over en weer wat vriendelijke maar gespannen begroetingen uitgewisseld – ook tussen mij en mijn vader, wanneer die erbij was. Ik wist dat hij er moeite mee had dat ik dit werk deed, maar hij slaagde er bijna in daar niets van te laten blijken.

Tijdens de voorstelling liep hij, als hij van het toneel afkwam, meestal direct door naar zijn kleedkamer, maar soms ook bleef hij tussen twee scènes even naast mij staan en trok een wat verontschuldigende grimas als hij weer op moest. Ik bleef altijd kijken. Die paar stappen deden mij denken aan touwtjespringen op straat of op de sportschool, het moment dat je besluit – is het wel een besluit? – om, nu!, in de bocht van het touw te springen. Een, twee, en hup, weg.

Zo rustig en aandachtig als het decor was opgebouwd, zo ruw en gehaast werd het na de voorstelling weer afgebroken. Er zat behalve iets uitgelatens ook grote woede in de knallen waarmee schotten werden dichtgeklapt, planken neergegooid en kisten en dozen op elkaar gestapeld. Wanneer ik eenmaal in de vrachtwagen zat, gloeiden mijn handen van de schrammen en de splinters.

Op de terugweg zat ik, als enige die niet direct in slaap viel, meestal op de plek naast de chauffeur en ik denk dat dat mij het meest heeft opgebroken. Niet eens vanwege de stomme verhalen die ik moest aanhoren of de volstrekt vreugdeloze toon waarop ze verteld werden, maar vanwege de aanblik van de Hollandse nacht waar wij ondertussen doorheen reden. Een nacht die niet opwindend was of gevaarlijk zoals de Amerikaanse, die de mensen naar buiten lokt of juist gijzelt in hun huizen, de nacht als grote belofte en bedreiging. Ook was het niet de diepe nacht van het Oosten en van Afrika, die naar vuur ruikt en zoet bederf. Het was een veel kleinschaliger, zachtmoediger nacht, waarin je thuis zou moeten zijn. De nacht waar wij nu, bleek als griesmeel, nacht na nacht doorheen reden, was een taps toelopende koker van zwart steen.

In Amsterdam werden wij – met nog een laatste schunnige opmerking ten afscheid – door de chauffeur afgezet bij een brug in de buurt van het Rijksmuseum. Ik zie nog het onrustige zwaaien van de straatlampen, het gelige licht dat schommelend over de glimmende helling van het wegdek glijdt, als over de buik van een vis.

Heel even tollen we, dronken van moeheid, om elkaar en onze eigen as heen, roepen nog wat en gaan dan ieder ons weegs. Johnnie onder het museum door, Klaas en Stein links en rechts de kade af, en ik de brug over.

Maar halverwege blijf ik staan en plet mijn voorhoofd tegen de reling, het ijs van de reling - net zolang tot ik geen ander geluid meer hoor dan het zachte klotsen van het water onder mij. En dan gebeurt het: de brug komt los van de kade, verheft zich ruisend van de bodem en vaart uit – langs huizen en gebouwen, straten en pleinen, die als een decor rij na rij voor horizon na horizon wegrollen uit de slapende stad. En het raadsel dat daar als een glimlach in verborgen lag stroomt mee, de nacht in.

Hemel na hemel daalt in een dichte regen neer.

Het grote verschil tussen hen en mij was dat zij beroeps waren – `lifers'