Een cholerische intellectueel

David Cesarani: Arthur Koestler. The Homeless Mind. William Heineman, 646 blz. ƒ99,50

Het Sovjet-rijk verkruimelde aan het begin van de jaren negentig, maar de erosie van de communistische ideologie werd al een halve eeuw eerder ingeluid met de publicatie in 1940 van de roman Darkness at Noon. In dit meesterwerk ontleedde Arthur Koestler de motieven van hoofdpersoon Nicolaas Roebasjov, de communistische functionaris die uit dienstbetoon aan de partij een verraad bekent dat hij niet heeft gepleegd. Roebasjov weet dat hij onschuldig is, maar offert zijn individualiteit op het altaar van de ideologie die de collectieve mensheid een stralende toekomst belooft. Koestler liet zien hoe de individuele zelfverloochening, ten dienste van een hoger doel, de voorwaarde was voor een politieke terreur die tientallen miljoenen slachtoffers zou maken.

David Cesarani verkondigt in zijn biografie van Koestler echter de mening dat Darkness at Noon niet in de eerste plaats een sleutelroman is over een ideologische verblinding die grote gevolgen heeft gehad voor het verloop van de twintigste eeuw. De hoofdzaak is volgens hem dat Roebasjov, net als Koestler zelf, joods is. Cesarani toont zich in dit boek een biograaf met een programma. Het is volgens hem hoog tijd voor een grondige `re-evaluation' van de figuur Koestler en die herwaardering valt in zijn ogen niet positief uit.

Hij meent niet alleen dat de joodse achtergrond van Koestler de sleutel tot diens leven en werk bevat, maar verwijt hem dat hij op latere leeftijd heeft geprobeerd deze joodse identiteit te verdringen. Cesarani heeft de ambitie Koestler op dit punt te ontmaskeren, een procédé dat al na enkele tientallen bladzijden een vermoeiende uitwerking krijgt. Dan heeft de lezer zes of zeven keer te horen gekregen hoe belangrijk de joodse achtergrond voor deze schrijver is geweest. In de resterende vijfhonderd bladzijden blijft dit thema terugkeren in de vorm van een monotone dreun.

De ontlading komt als de biograaf Koestlers reactie op de vestiging van de staat Israel in 1948 aansnijdt. Deze gebeurtenis bracht Koestler tot de conclusie dat de in Europa levende joden nu voor de keus stonden zich in Israel te vestigen of in Europa te blijven maar dan op te houden hun joodse identiteit te cultiveren. Hij voegde eraan toe dat assimilatie de beste manier was om toekomstige generaties Europese joden te vrijwaren voor het gruwelijke lot dat de slachtoffers van het nazisme had getroffen.Cesarani trekt uit dit standpunt de bizarre en kwaadaardige conclusie dat Koestler, in een drang afstand te nemen van zijn joodse identiteit, de vervolgde joden verweet zelf medeverantwoordelijk te zijn geweest voor hun vernietiging, omdat zij zich niet tijdig genoeg hadden gedistantieerd van het jodendom.

Antisemitisme

Het valt niet te ontkennen dat Koestler door zijn joodse afkomst diep is beïnvloed. In een aantal boeken, bijvoorbeeld in Promise and Fullfillment. Palestine 1917-1949 (1949), heeft hij daarvan duidelijk blijk gegeven. Maar het gaat veel te ver het karakter van een zo veelzijdig en veertig titels tellend oeuvre te reduceren tot dit ene biografische gegeven. Koestler werd in 1905 in Boedapest geboren, op een moment dat `the sun was setting on the Age of Reason', zoals hijzelf later in zijn herinneringen schreef. Negen jaar later brak de oorlog uit en viel het Oostenrijks-Hongaarse rijk uiteen. Spoedig maakte hij kennis met de felle jodenhaat in Hongarije.

Nadat het gezin Koestler was verhuisd naar Wenen, waar het antisemitisme een even grote plaag was, raakte het als gevolg van de economische crisis aan het begin van de jaren twintig in grote materiële problemen. Arthur, die de Technische Hochschule doorliep, probeerde met journalistiek werk zichzelf en zijn ouders een bestaan te verschaffen. Het succes kwam pas aan het begin van de jaren dertig, nadat hij zich had gevestigd in Berlijn, waar de opmars van het nationaal-socialisme zich voltrok.

In die stad werd hij lid van de communistische partij, de KPD, die nogal wat joodse leden telde en door Cesarani daarom, sterk overdreven, wordt getypeerd als `one element of Jewish subculture'. Een journalistieke reis door de Sovjet-Unie had een ontnuchterende uitwerking op zijn communistische overtuiging. In 1937 trok Koestler als verslaggever naar de Spaanse Burgeroorlog, waar hij al snel door nationalistische Franco-aanhangers werd gearresteerd. Zijn executie kon nog net worden voorkomen, vooral dankzij een interventie van de Britse regering. Over deze ervaringen schreef hij nog hetzelfde jaar de indrukwekkende reportage Spanish Testament. Koestler vestigde zich vervolgens in Frankrijk, waar hij bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in september 1939 in een kamp werd geïnterneerd, evenals alle andere buitenlanders. Alleen door zich aan te melden bij het Vreemdelingenlegioen slaagde hij erin Frankrijk te ontvluchten en via Noord-Afrika naar Engeland te ontkomen. Van dit avontuur deed hij verslag in Scum of the Earth (1941).

Nog vóór zijn veertigste levensjaar was Koestler al opgelopen tegen een aantal van de rampen die een stempel hebben gedrukt op de twintigste eeuw (`the age in which reality beats imagination at every step'): antisemitisme, economische misère, bestuurlijke desintegratie, revolutie, ideologisch fanatisme, politieke opsluiting en ballingschap. In zijn twee delen herinneringen, Arrow in the Blue (1952) en The Invisible Writing (1954), die een literair hoogtepunt in zijn werk vormen, heeft hij die ervaringen nog eens verwerkt. Na de Tweede Wereldoorlog verloor hij langzamerhand zijn belangstelling voor politiek, al maakte zijn bijdrage aan de bundel The God that Failed (1950), waarin een aantal bekende ex-communisten uitleg gaven over hun bekering tot deze ideologie, bijna evenveel indruk als Darkness at Noon.

Hij ging door met romans schrijven, maar begon daarnaast aan een gedurfde intellectuele zoektocht naar de bronnen van de menselijke creativiteit en wetenschappelijke vooruitgang. Het eerste en beste resultaat was The Sleepwalkers. A History of Man's Changing Vision of the Universe (1959), dat de nadruk legt op de vaak toevallige wijze waarop Keppler, Galileï en Copernicus tot hun wetenschappelijke vondsten kwamen. Daarna ontvouwde Koestler in boeken als The Act of Creation (1964) en The Ghost in the Machine (1967) zijn theorie van het holisme, die een samenhang in het menselijk gedrag probeerde bloot te leggen.

Zijn intellectuele nieuwsgierigheid bleef tot aan zijn dood in 1983 onuitputtelijk, maar niet altijd even vruchtbaar, zoals bleek uit de pogingen gedurende de laatste fase van zijn leven om de geheimen van paranormale verschijnselen te doorgronden. Niettemin is zijn veelomvattende en gevarieerde oeuvre, waarin zowel politiek, literatuur als wetenschap aan bod komen, het bewijs dat Koestler in het tijdperk van wetenschappelijke specialisatie en culturele verbrokkeling een Weltgeist van unieke klasse was.

Evenwichtskunst

Een levensverhaal schrijven is een oefening in evenwichtskunst. De biograaf moet niet te gedistantieerd opereren: dan loopt hij het risico niet meer dan een zielloze baaierd van feiten te produceren. Maar een teveel aan betrokkenheid, positief of negatief gericht, is ook niet goed. Dan krijgen we een hagiografie of een afrekening, zoals in het geval van The Homeless Mind.

Voor Cesarani is Koestler de man die zocht naar een nieuw houvast, gedreven door het verwerpelijke motief afstand te nemen van zijn joodse identiteit. Deze biograaf wil echter niet alleen afdoen aan de betekenis van Koestlers werk, hij probeert ook diens persoonlijke reputatie te onttakelen. Al snel krijgen we te horen dat deze auteur in de omgang ijdel, arrogant, ongeduldig en onberekenbaar was. Maar die kwalificaties zijn kinderspel vergeleken met de beschuldiging die in de Britse pers breed is uitgemeten: Koestler was een serie-verkrachter. Ook in NRC Handelsblad was vorige maand te lezen dat zijn buste in de universiteit van Edinburgh, was verwijderd nadat vrouwelijke studenten verklaard hadden zich ongemakkelijk te voelen onder de stenen blikken van de man die door Cesarani te kijk is gezet als seksuele delinquent.

Deze biograaf toont aan de hand van vele getuigenverklaringen aan dat Koestler een onverbeterlijke veelgebruiker en een geobsedeerde rokkenjager was, een grof en cholerisch temperament dat graag met huisraad smeet en soms zijn handen niet kon thuishouden. Maar een habituele verkrachter? Cesarani noemt het voorbeeld van Jill Craigie, de vrouw van de politicus Michael Foot. Volgens haar verklaring had een dronken en gewelddadige Koestler een keer tevergeefs geprobeerd seksueel misbruik van haar te maken. Cesarani trekt de conclusie dat het hier geen incident betrof: volgens de bewijzen was Koestler een `serial rapist'. Maar die bewijzen zijn in zijn boek niet te vinden. Meer dan hearsay heeft hij, ondanks grondig speurwerk, niet te bieden.

Overigens stelt Cesarani met verbazing vast dat deze bruut met vele van zijn ex-vriendinnen, en ook met zijn ex-vrouw Dorothea, na de breuk hartelijke betrekkingen bleef onderhouden. Mamaine Paget, met wie Koestler een langdurige verhouding had en die genoeg aanleiding had rancuneus te zijn, noemde hem agressief, maar nooit gemeen en gewoonlijk `great fun to be with'. Misschien was Koestlers verhouding tot vrouwen toch iets ingewikkelder dan de moralist Cesarani bereid is onder ogen te zien.

In de inleiding prijst hij zijn boek aan als het eerste volledige levensverhaal van Koestler, dat bovendien geschreven is zonder dat de schrijver invloed op de inhoud heeft kunnen uitoefenen. Met die laatste aanbeveling probeert hij indirect de in 1983 verschenen biografie van Iain Hamilton (Koestler. A Biography), die mede is gebaseerd op interviews met Koestler zelf, te diskwalificeren. Maar in tegenstelling tot de schrijver van The Homeless Mind is deze biograaf er wèl in geslaagd een evenwicht te vinden tussen betrokkenheid en distantie. Wie het werk van Koestler kent, zal het boek van Cesarani niet over willen slaan. Leven en werk van deze auteur zijn van een zo imponerend formaat dat zelfs deze biograaf hem niet klein weet te krijgen.