Den Uyl schoot zichzelf in twee voeten

Het is wrang en mooi tegelijk: het eendaagse congres dat eind januari 1998 in de aula van de Nijmeegse universiteit werd gehouden naar aanleiding van Joop den Uyls tiende sterfdag, zou in alle opzichten een kolfje naar Den Uyls hand zijn geweest als hij nog had geleefd. Historici en politicologen bogen er zich over de vraag in hoeverre het kabinet dat Den Uyls naam droeg, zijn hooggegrepen aspiraties – spreiding van inkomen, kennis en macht - had waargemaakt. Wie het allemaal nog eens naleest in de zojuist verschenen congresbundel, kan zien dat het gebodene prikkelend en ter zake was. Het verleden herleefde zelfs dusdanig intens dat het niemand zou hebben verbaasd als Den Uyl toch nog de aula was komen binnensnellen – uiteraard te laat, zoals gewoonlijk – om zich in het debat te mengen. Tegenspraak, daar hield hij van, en tegenspraak had hij in Nijmegen volop gekregen

Nu was de PvdA-leider zelf de eerste om te erkennen dat het waar maken van de idealen ook hem is tegengevallen. Hij gaf er ook altijd een paar verklaringen voor. De oliecrisis maakte in 1973 een einde aan een twintig jaar durende economische groeispiraal waaruit de `leuke dingen voor linkse mensen' moesten worden betaald. Bovendien, zo heeft Den Uyl voortdurend benadrukt, kwam zijn kabinet eigenlijk te laat: de tijdgeest was al omgeslagen naar behoudend. Daardoor was er te weinig maatschappelijk draagvlak voor ingrijpende veranderingen. Niet verbazingwekkend passeerden op het Nijmeegse congres deze factoren opnieuw meermalen de revue. Maar het afschilderen van dit kabinet als één kolossale sof, wat verscheidene sprekers deden, zou Den Uyl hebben gepareerd met bezwerende monologen. Het makkelijkst zou hij het hebben gehad met het oordeel van de oppositie ten tijde van Den Uyls regeerperiode, in Nijmegen verwoord door (op dat moment nog) VVD-leider Frits Bolkestein. Deze kwam weer met de Den Uyl zo vertrouwde Wiegel-riedel over het kabinet van potverteerders dat de staatsschuld omhoog joeg. Ed. van Thijn, destijds PvdA-fractievoorzitter in de Tweede Kamer, wees er in zijn bijdrage tot het congres op dat de liberalen in het na Den Uyl komende kabinet-Van Agt/Wiegel het financieringstekort van de overheid nog tot veel grotere hoogte hebben laten oplopen. Ook in de jaren zeventig wisten socialisten wat bezuinigen was, aldus Van Thijn: met de door Wim Duisenberg (Financiën) geleide terugschroef-operatie, waarbij de collectieve lasten niet verder mochten stijgen dan één procent van het nationaal inkomen, was een bedrag van niet minder dan tien miljard gulden gemoeid. Van Agt en Wiegel hebben hem dat niet nagedaan. Dat het ideaal spreiding van `kennis' slechts zou hebben geleid tot dalende prestatienormen in het onderwijs, een ander stokpaard van Bolkestein, is eveneens betwistbaar. In zijn beschouwing over het beleid van minister van Onderwijs Jos van Kemenade toont de sociaal-geograaf H. Knippenberg overtuigend aan dat diens plannen tot invoering van de middenschool in feite zijn gestrand op de onwil en tegenzin van de onderwijswereld, juist omdat die bang was voor niveauverlies (en voor verlies van de vrijheid van het bijzonder onderwijs). Latere kabinetten, ook die waaraan de liberalen meededen, hebben Van Kemenade's plannen verwezenlijkt, althans gedeeltelijk.

Vergelijkbaar is het gegaan met de spreiding van macht, zoals die tot uitdrukking moest komen in de herziening van de Wet op de Ondernemingsraden. Parlementair historicus drs. J. Ramakers volgt de moeizame gang van dit wetsontwerp, dat de werknemers echte medezeggenschap in de bedrijven moest geven. In zijn kielzog liet het een verdeelde SER en hevige conflicten in de Kamer en binnen het kabinet achter. `Dolgedraaide ministers in de clinch', luidde een kop in de Volkskrant boven een verslag van wat oppositieleider Hans Wiegel smakkend `het vechtend over straat rollen van deze regering' placht te noemen. Tot een wet kwam het in deze kabinetsperiode niet meer.

Dat Den Uyl met deze moeilijk weerlegbare schets van een wansucces toch vrede zou kunnen hebben, wordt aannemelijk door Ramakers' constatering – analoog aan die van Knippenberg over Van Kemenade – dat de ideeën over de taak van de OR zijn doorgesijpeld naar het volgende kabinet. Sinds de in 1978 aangenomen wetsherziening zijn de ondernemingsraden beter gaan functioneren.

Veel moeilijker zou de vroegere PvdA-leider het hebben gehad met het even genadeloze als lucide oordeel van de Nijmeegse politicoloog prof.dr. K. van Kersbergen, met instemmend geknik van Boersma, over de grootste concrete triomf van het kabinet-Den Uyl: de inkomensnivellering. Vlaggenschip van de reeks maatregelen tot verwezenlijking van dit doel waren de invoering van het minimumjeugdloon en de koppeling van de uitkeringen aan het minimumloon. Van Kersbergen keert zich niet tegen de verhoging van de minimuminkomens, maar tegen de automatische koppeling ervan aan de ontwikkeling van de lonen in het algemeen. Daarmee gaf het kabinet een belangrijk beleidsinstrument uit handen, en dat bleek vooral een enorm nadeel, toen de economische neergang na de oliecrisis doorzette. Het enige wat het kabinet kon doen, was door de speciale Machtigingswet de loongroei te matigen, waardoor het de vakbeweging tegen zich in het harnas joeg. De werkgevers hadden al eerder het servet voorgeknoopt om de premier rauw te nuttigen omwille van Den Uyls herhaalde waarschuwingen dat de politiek het primaat had boven de markt. De wrange ironie van dit alles is volgens Van Kersbergen dat Den Uyl zelf door de introductie van de automatische koppeling het primaat van de politiek, nota bene zijn credo, heeft aangetast.

Schoot Den Uyl zichzelf daarmee in de ene voet, parlementair historicus prof. dr. J. Bosmans meent dat de premier zichzelf ook in de andere wist te raken. Den Uyl voorkwam niet dat zijn partij zich in haar manische fase met een zeldzaam vertoon van arrogantie tegen de confessionelen bleef afzetten. Deze zogenoemde `polarisatie-strategie' had volgens Bosmans twee contraproductieve gevolgen. In de eerste plaats werden de confessionele partijen daardoor samengedreven, hetgeen de totstandkoming van het CDA als grootste middenpartij heeft versneld. Ten tweede leidde het bij de nieuwbakken CDA'ers tot grote ergernis over de PvdA, en dat vergrootte de animo voor deelneming aan een voortgezet kabinet-Den Uyl bepaald niet. Dat tweede kabinet is er dan ook niet gekomen. Is het vraagteken achter de titel van deze bundel eigenlijk niet overbodig, gaat men zich na het lezen ervan afvragen. Misschien is dit de verkeerde vraag, en is de voornaamste prestatie van dit kabinet wel zijn uitstraling geweest. `Politiek [draaide] toen minder om afstandelijk bestuur dan om vernieuwing, gedrevenheid en mobilisatie', concludeert historicus dr. H. te Velde in zijn analyse van de manier waarop de verschillende stijlen van de leiders Den Uyl en Van Agt – haast en morsigheid bij de een, ontspanning en ritueel bij de ander – elkaar aanvulden, al schenen zij elkaars tegenpolen.

Jan Ramakers, Gerrit Voerman & Rutger Zwart (red.): Illusies van Den Uyl? De spreiding van kennis, macht en inkomen Het Spinhuis/IISG, 126 blz. ƒ32,50