De wens om net niet dood te gaan

,,Met de dood voor ogen kan ik scherper in de toekomst kijken.'' Bergbeklimmer Joe Simpson schreef een aangrijpend boek over een val op 6000 meter hoogte.

Het is een boze betovering, een fatale liefde, dat beklimmen van bergen. Grenzend aan waanzin. De Engelse schrijver en bergbeklimmer Joe Simpson (1960) woont in een eenvoudig huis in Sheffield, niet ver van zijn geliefde pub waar hij zijn klimmakkers ontmoet. Zijn hart ligt elders, bij de beijsde, ongenaakbare schoonheid van bergen op zes- of achtduizend meter hoogte in de Alpen, de Andes, of in de Himalaya. Daar waar het volstrekt stil is, geen vogel, geen mens, geen insecten. Pure leegte.

Simpson klimt al vanaf zijn veertiende. Hij is de enige jongen uit een gezin met dochters. Een van zijn zusjes tartte hem graag. Zo daagde zij Joe uit om met zijn driewieler dertig treden naar beneden te denderen. Joe kon niet weigeren; hij stuiterde omlaag, kwam aan het eind van de treden tegen een stenen muur terecht. Hoofdwonden, naar het ziekenhuis. Vallen is de grootste angst van de bergbeklimmer, desalniettemin gaat hij keer op keer de hoogte in.

Simpson is vaak van bergflanken gevallen in zijn leven. Dat hij het keer op keer overleefde, is een wonder. ,,Ik had eigenlijk allang dood moeten zijn, dat is de paradox van mijn bestaan. Niet de anderen, mijn vrienden, moesten op die bergen doodgaan, maar ik. Elke bergbeklimmer die een zware tocht overleeft, heeft een schuldgevoel. Ik heb drie zware ongelukken overleefd; een keer werd ik in de bergen bij Chamonix overweldigd en meegesleurd door een lawine. Een andere keer ben ik in de wand van de Himalaya door een regen van stenen bijna verpletterd. En dan was er de confrontatie met de dood in de Andes op de Siula Grande, een berg van ruim zesduizend meter hoogte.''

De gebeurtenis op de Siula Grande achtervolgt Simpson nog altijd, het heeft zijn leven veranderd. Vijfentwintig was hij, en zijn klimvriend Simon Yates eenentwintig. In elegante alpine stijl, dus zonder vaste touwen, beklommen de jongens de nooit eerder veroverde westwand van de majestueuze berg. Het lukte hen. Ze waren geoefende klimmers, lid van de British Mountaineering Group, een prestigieuze vereniging die alleen leden toelaat die zes zeer zware veroveringen op hun naam hebben staan.

Op de terugweg viel Simpson ongelukkig: zijn onderbeen schoot dwars door zijn meniscus heen. Beiden beseften wat een verbrijzelde knieschijf op die hoogte betekent: je bent ten dode opgeschreven. Yates probeerde koste wat kost zijn vriend te redden. Verbonden met een touw begonnen ze aan de moeizame afdaling. Terwijl ze over de smalle bergkam voortstruinden gebeurde het: Simpson viel over de rand omlaag. Urenlang bleef hij aan het touw in de leegte hangen, met Yates als tegengewicht. Die raakte uitgeput en sneed uiteindelijk het touw door. Niet eens met zijn eigen mes, het was het mes van Simpson dat toevallig in zijn rugzak zat.

Het is een klassieke tragedie: noodlot volgt op noodlot. Simpson valt in een gletsjerspleet, ervan overtuigd dat hij zal sterven. Yates begint aan zijn eenzame afdaling, door schuldgevoel geteisterd. Heeft hij zijn vriend vermoord?

Simpson bevrijdt zich op miraculeuze wijze uit die ijsgrot en begint struikelend, huilend, kruipend, schreeuwend van de pijn aan zijn vier dagen durende terugkeer. 's Nachts verschijnt hij als een spookbeeld in het kamp, waar Yates nog bivakkeert.

Simpson schreef over die vier dagen een aangrijpend boek, Over de rand in het Nederlands. Touching the Void heet het in het Engels. De leegte rakend, val in het niets, of eerder: teruggekeerd uit de dood. Het is een van de mooiste literaire boeken die ik ken, al heet het een `klimboek' te zijn.

Over de rand gaat over veel meer dan klimmen alleen: het gaat over zelfoverwinning en schuldgevoel, over noodlottige verbondenheid en wat vriendschap betekent in de aanblik van de dood.

Oerbeeld

Simpson: ,,Ik heb nooit de ambitie gehad schrijver te worden, Simon en ik waren twee jongens die niet wilden werken en bergen beklommen. Ik maakte wel altijd aantekeningen. Na het ongeluk ben ik in Lima geopereerd, in Engeland herstelde ik. Ik kon weer bergen bestijgen, maar de nachtmerries hielden aan. Nog steeds geen reden om dat boek te schrijven. Intussen kreeg het verhaal over het doorsnijden van het touw in de Britse klimmerswereld mythische proporties. Het is kennelijk een oerbeeld,verbondenheid die kapot wordt gemaakt. Men beschouwde mij als held en Simon Yates als schuldige. Het is omgekeerd: Simon was de moedigste van ons twee. Hij heeft mijn leven gered, eigenlijk ons beider levens. Ik had mijn knie verbrijzeld, ik viel omlaag in de leegte, ik had de zaak niet in handen.

,,En daarom schreef ik het boek, in zeven weken tijd bij een vriend op zolder: als rechtvaardiging voor Simon. Ik wilde een zo eerlijk mogelijk relaas op papier zetten. Het is ook aan hem opgedragen: `Voor Simon Yates bij wie ik altijd in de schuld zal blijven staan.' Ik had nooit eerder iets van dergelijke omvang gemaakt. Goed, ik had Engelse letterkunde gestudeerd dus ergens moet er een link zijn geweest. Ik had tal van klimboeken gelezen, en eigenlijk vielen die me tegen. Typische Brits stiff upperlip-werk. Vraag een Engelsman hoe zijn beklimming was, en hij zal antwoorden: `It was quite challenging above.' Emoties toont hij niet, geen wanhoop. Maar elke bergbeklimmer heeft hoogtevrees. Ik weet hoe angstaanjagend desperaat je tijdens een beklimming kunt zijn. Dat je huilt, dat je bang bent.

,,In literair opzicht worstelde ik met een wezenlijk probleem. Als je tweehonderd bladzijden alleen je eigen verhaal vertelt, dus uit mijn perspectief, dan gaat dat vervelen. De tegenstem is onmisbaar en noodzakelijk. Ondertussen had Simon mij zìjn wanhoop, zìjn vertwijfeling en schuldbesef laten weten. Ineens besloot ik het verhaal van Simons terugkeer in cursief te vervlechten met het mijne. Dat geeft de spanning aan het boek. In Simons optiek ben ik dood. En tegelijk is er mijn overlevingsrelaas. Dood en leven, daar draait het om. En de hoofdpersonages uit dat boek, Joe en Simon, vertegenwoordigen die twee.''

Joe Simpson is opmerkelijk tenger en klein van gestalte. Hij heeft scherpe, donkere ogen. Littekens op zijn bovenlip. Bij de valpartij in de Andes brak hij zijn neus. Zijn benen zitten vol hechtingen, de rechterenkel voelt aan `alsof er alleen maar glasscherven in zitten'. Maar zijn lichaam tintelt van de energie, zegt hij. Hij klimt nog steeds. De eerstvolgende tocht gaat naar Zuid-Thailand, waar hij hoog tegen overhangende rotsblokken aan zal klauteren.

Klimmen is angst en krachtdadigheid ineen, het is geconcentreerde obsessie. In het boek This Game of Ghosts (vertaald als Dit schimmenspel) geeft Simpson in de bergliteratuur een ongebruikelijk openhartige visie op het klimmen: het is de moedwil om net niet dood te gaan. Hij schrijft, nadat hij opnieuw ternauwernood aan de dood was ontkomen: ,,Het was niet de eerste keer dat ik in het niets had gestaard en ervan was weggesleept, maar nóg een keer werd me te veel. Ik hield de bergen verder voor gezien. Wat was de zin ervan. Het was waanzin, volstrekte waanzin.'' En meteen daarna staat er: ,,Toch bleef er ook een sprankje licht. Dat herinnerde ik me uit mijn jeugd. Een herinnering aan mijn eerste verschrikkingen die ik nooit was vergeten. Bij die eerste herinnering aan angst zat altijd een sprankje licht dat me nooit in de steek leek te laten, wat voor afschuwelijke dingen ook hun best deden om het voor eens en altijd te doven.''

Vrienden

,,This Game of Ghosts is mijn lievelingsboek'', erkent Simpson. ,,Er zitten veel jeugdherinneringen in, het is niet een rechttoe rechtaan klimmersboek. In Touching the Void weet de lezer niets van het verleden, de achtergrond en familie van de twee jongens. Gewoon twee mensen op een berg, dat is alles. In This Game of Ghosts wilde ik mijn verleden vertellen. Elke klimmer heeft een vader en moeder, broers, zusters, kinderen misschien, mensen die zich om hem bekommeren en die om hem rouwen als hij doodvalt. Bergen zijn nu eenmaal vervlochten met onze levens. De laatste jaren ben ik zoveel vrienden kwijtgeraakt, dat ik niet meer wilde klimmen. Waartoe? Om te pletter te storten, verdriet achter te laten? Maar thuis zat ik in gespannen afwachting naast de telefoon als ik wist van die en die vrienden op expeditie. Dan hoorde ik weer over ongelukken. Laatst is een hele groep van mijn klimmakkers onderweg naar de Himalaya met het vliegtuig tegen een berg gevlogen, allemaal dood. Niet eens in heroïsche strijd op de bergtoppen, maar stomme bad luck. Ik was er verbijsterd over. Ik raakte op morbide wijze geobsedeerd door de dood van mijn vrienden.

,,Het gevaar mijdt de beproevingen van het gewone leven niet. De verslaving schuilt eerder in het weggaan dan in het aankomen; de verslaving zit verborgen in je aanwezigheid in de weidse stilte en schoonheid van het hooggebergte, maar ook in de droeve toon van een misthoorn, in de stoomfluit van een trein die door een leeg land naar onbekende toekomst ijlt. Het is verlangen. Toppen hebben niet mijn belangstelling, wel de zuivere stijl van het klimmen zelf.

,,Tijdens het klimmen zijn heel je geest en lichaam gericht op de overwinning van je angsten. Dat geeft een grote kracht, heel anders dan de bezorgdheden van het dagelijkse leven. Die groeien aan, die maken je zwakker. Ik denk dat klimmers inspiratie en wilskracht opzoeken. Met de dood voor ogen kan ik scherper in de toekomst kijken, dan zie ik mijn plaats in het grotere geheel. Ik ben inderdaad enige tijd opgehouden met klimmen. Maar de verhalen van vrienden blijven komen en dan is het beter om toch weer de bergen op te zoeken en onderdeel van hen uit te maken. Ik besef dat er in This Game of Ghosts veel doden vallen, toch is het boek niet representatief voor de klimmerswereld. Mijn vrienden zijn stijlvolle meesters, ze klimmen zo eenvoudig mogelijk en daardoor staan ze dicht aan de grens. Ze zoeken die uiterste rand op van waar je nog leeft.''

De bijna-dood ervaring op de Siula Grande heeft Simpson doen inzien dat ethiek in de bergsport van vitaal belang is. Hij heeft zich in het verleden fel verzet tegen Ronald Naar die, op de zuidcol van de Mount Everest, een stervende Indiër geen hulp en al helemaal geen laatste troost heeft geboden. Simpson: ,,De eerste wet van de bergsport is het elkaar helpen. Wat Naar deed, vind ik obsceen. Op enkele armlengtes van zijn tent lag die man te zwaaien en te roepen. Hij was misschien al te ver bevroren en zijn levenskern was te zeer aangetast om hem te redden, dan nog kun je hem altijd enkele woorden toespreken. Nu lag hij eenzaam te sterven. Ik weet hoe angstwekkend dat kan zijn, te beseffen dat je doodgaat. Er waren twee Japanners die de Mount Everest beklommen terwijl zij onderweg door valpartijen gehavende mensen passeerden. Ze boden geen hulp, zìj moesten naar de top en wilden geen tijdrovende en vaak ook risicovolle hulp bieden. Ze zeiden: `Op achtduizend meter hoogte geldt geen moraal.' Die egoïstische houding schokt mij.

,,Ik geloof nog steeds dat alle bergen en vooral ook de Mount Everest, de Godin-Moeder van de Wereld of van de Sneeuw zoals haar bijnaam luidt, geëerbiedigd moeten worden. De Nepalees sherpa Tenzing, die met Edmund Hillary in 1953 de berg voor het eerst bedwong, vroeg haar vergiffenis voor elke stap die hij op haar flanken zette of voor elke slag die hij met zijn ijsbijl plaatste. Dat getuigt van stijl en ontzag. Ik maak me bezorgd over de toekomst van de bergen, die zo vervuild raken door dode lichamen, achtergelaten zuurstofflessen, tenten, klimmateriaal. De wilde, zuivere schoonheid van de bergen moet gerespecteerd worden. Ik heb klimmen altijd beschouwd als een intense roes van leven. Als ik ooit niet meer zal kunnen klimmen, ja, dan drink ik mezelf misschien wel dood.''

Joe Simpson: Over de rand, Orkaan van stilte, Dit schimmenspel, De schaduwzijde. Vertaling: Paul Heijman. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam.

Op 29 maart organiseert de SLAA in De Balie in Amsterdam een avond gewijd aan sport en literatuur, met o.a. bergbeklimmer/schrijver Bart Vos en zeezeiler/schrijver Henk de Velde. Reserveren: 020-5535100.