De verlossing voorbij

Ooit geloofden we in revolutie of verlossing, brengers van een betere mens. Die tijd is voorbij, maar het verwarde grootheidsdenken van Wagner gaat nooit verloren. Deel acht van Bas Heijne's serie in het laatste jaar van het millennium.

Een vlammenzee, reinigend vuur, een verlossende zelfverbranding: aan het einde van Wagners Der Ring der Nibelungen wordt de wereld radicaal schoongeveegd. De gefnuikte Walküre Brünnhilde ontsteekt de brandstapel van haar gevallen held Siegfried, die mensen en goden had moeten verlossen. Heel de wereld, het Walhalla van de goden inbegrepen, vat vlam. Ze bestijgt haar trouwe ros Grane en rijdt de vuurzee in als ruiter van haar eigen Apocalyps.

Het is een scène die je steeds weer uitgeput in je stoel achterlaat, thuis of in het theater.

Maar wat betekent het? Operaregisseurs kunnen er al hun filosofietjes op loslaten, want het einde van Götterdämmerung blijkt steeds anders plooibaar en invulbaar. Vast staat dat er iets beslissends met de wereld gebeurt, dat Wagner een symbolisch drama laat voltrekken. Maar is het een einde, een nieuw begin, of allebei? ,,Enden sah ich die Welt'', riep Brünnhilde aanvankelijk uit, terwijl ze met haar fakkel zwaaide – maar in de definitieve versie schrapte de componist dat zinnetje.

Wagner wist zelf niet wat hij precies met dit spectaculaire einde bedoelde. Of liever gezegd: hij bedoelde steeds weer iets anders. Grofweg kun je zeggen dat in de tientallen jaren dat Wagner aan zijn Ring werkte, zijn politiek-maatschappelijke wereldbeeld verschoof naar een transcendent visioen van zelfvernietiging en wedergeboorte.

Die ontwikkeling wordt weerspiegeld in de veranderingen die hij in de loop der jaren aanbracht in de tekst van Brünnhilde's lange slotzang. Eerst zag hij in haar zelfverbranding een overwinning van de liefde op een hopeloos door materialisme aangetaste wereld. Toen raakte Wagner onder invloed van Schopenhauer en, via hem, van het boeddhisme met zijn geloof in reïncarnatie. Het slotgezang werd een definitief vaarwel aan de wereld zelf: geen illusies meer, geen verlangens, geen gevoelens meer die de mens binden aan het aardse bestaan. Brünnhilde's dood was geen overwinning op de wereld, maar een afscheid.

Ook die tekst veranderde Wagner. Zoals het nu is, maakt het slotgezang eerder een persoonlijke, emotionele indruk dan een filosofische. De eindcatastrofe is het gevolg van wat vooraf ging: de wereld gaat in vlammen op, omdat het de enige uitweg is voor Brünnhilde, die haar persoonlijkheid al ten onder heeft zien gaan aan verraad en trouweloosheid. In haar slotmonoloog vloeien wanhoop en moed, heroïek en wraakzucht in elkaar over. Haar daad is verlossing en afrekening ineen.

Wagner gooide de oude versies van de slotzang niet weg. Hij liet ze keurig afdrukken in zijn verzamelde teksten, alsof hij zijn verschillende wereldbeelden naast elkaar wilde laten bestaan. Dat is mooi, want bij elkaar genomen vormen ze een blauwdruk voor de twintigste eeuw. In alle grote verlossings- en emancipatiebewegingen die de afgelopen honderd jaar onze Westerse blik op de wereld hebben gevormd, vind je echo's van Brünnhilde's slotgezang terug. De socialistische heilsgedachte van het radicaal afzweren van bezitsdrang en geldzucht, het sociaal-christelijke geloof in de liefde die het materialisme in de mens zal overwinnen, de filosofische afkeer van alles wat werelds is en de hang naar onthechting, die neiging om je radicaal van de wereld af te keren; het zit er allemaal al in, evenals het messianistische Endlösung-verlangen van het nazisme.

Geen van deze ideologieën, stromingen en bewegingen nam genoegen met minder dan een radicale ommekeer. De wereld zou nooit meer dezelfde zijn, dat stond vast. Ieder ging uit van één enkel wereldbeeld, een heldere, vastomlijnde heilsverwachting. Zeker was ook dat de mens verlost zou worden van iets dat hem kluisterde, van zijn armoede, zijn bazen, zijn ego, het leven, zichzelf.

Er wordt gemopperd over de hedendaagse neiging om alle verlossingsbewegingen van de afgelopen eeuw met terugwerkende kracht op één hoop te gooien. Het grappige is dat je ze bij Wagners versies van zijn Ring ook allemaal op een hoop ziet liggen. Hij was een revolutionair die de maatschappij radicaal wilde hervormen, hij was een messias die de wereld door middel van zijn kunst zou verlossen en hij was een miskend kunstenaar die zichzelf een genie wist. Zijn haat tegen bezit en geldzucht sloeg door in een afkeer van de wereld zelf, zodat hij ook die wilde afzweren.

Erg helder heeft hij al zijn filosofieën nooit gekregen, eenduidigheid was hem vreemd. Maar in de breedsprakige vaagheid van zijn geschriften ligt juist de kern: het zijn filosofische impulsen, tegenstrijdig, in laatste instantie emotioneel. Wagner zal altijd een omstreden kunstenaar blijven – niet omdat hij de wereld op het slechte pad heeft willen brengen, maar omdat hij als geen andere kunstenaar uiting heeft gegeven aan onze totalitaire verlangens.

Die verlangens zijn er nog steeds, maar een vorm geven kunnen we ze niet meer. Nu de rook van Brünnhilde's brandstapel is opgetrokken, haal je het niet meer in je hoofd om een alomvattend plan voor de wereld te ontwerpen. Revolutie, ommekeer, radicale verandering, dat zijn woorden die aan de technologie zijn toegevallen. Bij de opkomst van een nieuw fenomeen als Internet hobbelen er wat gelegenheidsfilosofen achteraan die algemene verbroedering en een nieuwe wereldorde prediken, maar niemand gaat er serieus vanuit dat de information highway gemaakt is om ons naar de verlossing te voeren. Filosofisch-religieuze bewegingen die onthechting voorstaan zijn er nog genoeg, maar in de postmoderne wereld kun je heel goed mantra's zingen en topmanager in een global corporation blijven. Alleen randgroepreligieuzen blijven geloven in een algehele geestelijke ommekeer.

Met het totalitarisme verdween ook het wereldbeeld. Dat geldt voor de politieke ideologen, maar ook voor de filosofen en de kunstenaars. De gedachte alleen al dat je met kunst de wereld naar je hand kunt zetten heeft iets van een tragisch misverstand gekregen. Maar luisterend naar Wagners Ring (of alleen naar Brünnhilde's slotzang, hartverscheurend gezongen door Julia Varady op een nieuwe cd), begrijp je ook waarom dat werk onvergankelijk zal blijken: de filosofische verwarring die eraan ten grondslag ligt, het dwingende grootheidsdenken over bestemming en verlossing, zijn projecties van menselijke gevoelens die voor ons maar al te goed invoelbaar zijn.

Wagners personages, mensen, reuzen en goden, lijden aan de wereld. Wie zich aan de wereld uitlevert, belandt onherroepelijk in een moeras van verraad en liefdeloosheid, onmacht en dubbelzinnigheid. Maar hoe hartstochtelijk ze die wereld ook willen overstijgen, ze zijn er, net als wij, met huid en haar aan overgeleverd.

    • Bas Heijne