De sublieme praal van het Hellenisme

Het oude Alexandrië is in mijn fantasie altijd een stad geweest die je alleen nog in de geest kunt binnengaan om je er burger te wanen. Maar bij het lezen van Günter Grimms Alexandria en André Bernands Alexandrie la Grande wordt de stad ruw uit de verbeelding verjaagd, omdat beide boeken je de schamele stoffelijke resten tonen van wat in je hoofd steeds een levende stad was. Het is alsof de beenderen van een geliefde worden opgegraven, voor wie elk gevoel van genegenheid idioot is geworden, nu we haar zien in staat van ontbinding.

Helaas, het is niet veel wat de geschiedenis van Alexandrië voor ons heeft bewaard. Dat zien we al op de eerste pagina van Grimms boek, op een kaart van de stad en omstreken, getekend tijdens Napoleons expeditie naar Egypte in 1798. Voor iedereen die enigzins vertrouwd is met de plattegrond van het antieke én het hedendaagse Alexandrië is deze kaart op een merkwaardige manier verkeerd. Het achttiende-eeuwse Arabische havenplaatsje bevindt zich allang niet meer op de plek waar je het zou verwachten. Bezien vanuit een antiek standpunt ligt het in zee, op de verbindingsdam die van het vasteland naar het eilandje Pharus was aangelegd. Deze bijna twaalfhonderd meter lange dijk was in de loop der eeuwen aan weerszijden aangeslibd. Op dat nieuwe land was de Arabische `stad' gebouwd die Napoleon aantrof. Waar de antieke stad had gelegen, strekte zich een half landelijk gebied uit, waar in 1798 nog wat ruïnes, zuilen en obelisken uit opstaken.

Deze landelijke idylle veranderde in snel tempo. Op bevel van Mohammed Ali, de energieke onderkoning van Egypte, werd in de loop van de negentiende eeuw op de plek van de oude, ondergestoven stad door westerse architecten een nieuwe gebouwd, als Egyptes venster op Europa. De obelisken gingen als cadeautjes naar Londen en New York, de overige resten verdwenen onder de nieuwbouw. Dit moderne Alexandrië, de stad van Kavafis, E.M. Forster en L. Durell, is na een eeuw van bloei inmiddels ook weer oud en aan vernieuwing toe. Stukje bij beetje komen hier en daar sporen van het tastbare verleden tevoorschijn.

Flauwe afspiegeling

Bij de overblijfselen van Rome en Athene steken die van Alexandrië wel heel pover af. Van de gebouwen uit de hellenistische periode, de vierde eeuw voor onze jaartelling tot aan het begin van de Romeinse keizertijd, is bar weinig over. Hoe men ook zoekt naar de wonderen waarover iedereen destijds in gloedvolle bewoordingen sprak, er is nauwelijks iets te vinden. De bibliotheek, het Caesaraeum, het graf van Alexander, de paleizen, ze zijn allemaal wel gelokaliseerd, maar er is niets van over. De reusachtige tempel van Serapis en de resten van de voet van de vuurtoren laten alleen nog een schaduw van hun vroegere grootheid zien.

Grimm heeft daarom in veel gevallen zijn toevlucht moeten nemen tot reconstructies, tot stand gekomen na bestudering van de archeologische vondsten en de beschrijvingen van antieke en latere schrijvers. Het resultaat geeft een flauwe afspiegeling van de pracht van de Ptolemaeïsche dynastie, die na de dood van Alexander gedurende drie eeuwen over Egypte heeft geheerst en met de zelfmoord van Cleopatra is uitgestorven.

Maar zien kun je de voormalige glorie van Alexandrië nu eenmaal alleen nog maar hier en daar buiten Egypte: in Tivoli, Herculaneum en Pompeï of op andere plaatsen, die door de tijd zijn gespaard, of desnoods in de literatuur. Het is een wereld die je verbluft, maar tegelijk weemoedig maakt. Alles ademt een zinnelijke schoonheid. Waar je ook kijkt, heerst een narcotiserende weelde aan kleuren en vormen. Het calvinistisch oog huivert. En als Grimm met zijn relaas is aangeland bij de bloedschennige huwelijken die na enige generaties in het koningshuis ingang vonden, zal zich aan sommigen wel één woord onweerstaanbaar opdringen: decadentie. Dat oordeel is echter voorbarig, want deze huwelijken hadden een andere achtergrond. Voor zijn Griekse onderdanen legitimeerde de koning zich als wettige opvolger van Alexander de Grote, maar voor zijn Egyptische onderdanen was hij de farao, die volgens de traditie nu eenmaal met zijn zuster diende te trouwen.

De wereld die Alexander de Grote had opengelegd, inspireerde de beelden en verbeelding van het klassieke Griekenland. Er ontstond een nieuwe, dynamische vormentaal, waarin niet langer het sublieme het doel lijkt te zijn, maar het zinnelijke. Ook deze tegenstelling, die bij puriteinse negentiende-eeuwse geesten opgang maakte, is echter vals, omdat de klassieke kunst en letteren natuurlijk net zo goed `zinnelijk' kunnen zijn en de hellenistische `subliem', al hadden ze daar elk wel een verschillend idioom voor.

De mateloze praal van het Hellenisme en zijn liefde voor het kolossale, hadden bovendien een tegenhanger in de voorkeur voor het petieterige en het gewone. In Alexandrië, destijds de literaire hoofdstad van de Griekse wereld, waren het epigram, de idylle, de mime (een tafereeltje uit het dagelijks leven) en de komedie populair. Deze vormen- en beeldentaal zou in belangrijke mate die van het nog jonge Romeinse rijk beïnvloeden.

Woestijnvaders

Waar Grimm zijn materiaal over Alexandrië aan de hand van de geschiedenis der Ptolemaeën presenteert, komt Bernand met een thematische opzet in zijn Alexandrie la Grande, een grondige herziening van de editie van 1966. Dat heeft het voordeel dat er meer ruimte is voor uitweidingen, details en anekdotes. Zo neemt hij in extenso een twaalfde-eeuwse Arabische beschrijving op van een beklimming van de resten van de fameuze vuurtoren van Alexandrië. Anders dan Grimm is Bernand een echte Alexandrijn. Alle tijden komen bij hem aan bod, al komt de latere keizertijd er wat bekaaid af.

Voor één aspect van die periode, de Late Oudheid, kunnen we terecht bij De woestijnvaders van Pieter W. van der Horst, hoogleraar theologie aan de Universiteit van Utrecht. Hij heeft een bloemlezing samengesteld uit laat-antieke teksten over monnikengemeenschappen, kluizenaars en andere vrome lieden, die rond de vierde eeuw in groten getale de woestijnen van Egypte, Palestina en Syrië waren ingetrokken om te vasten, te bidden en de strijd met de demonen aan te binden. De wonderen en lotgevallen van deze wereldverzakers waren populair in de Late Oudheid. Ze dienden om de christen te stichten en de heiden te bekeren. De strekking van de vrome teksten is nogal voorspelbaar, omdat ze bijna altijd over de lotgevallen van heiligen of zondaars gaan, die tot inkeer komen.

Tot voor kort was de geschiedenis van het geloof een zaak van theologen, die de niet-gelovige belangstellende nogal eens met lege handen lieten staan. Wat de kerkvaders lang geleden in hun baard hadden gemompeld werd zelden in een bredere historische context bekeken. Lange tijd ging het geloof vóór de wetenschap. Daar is inmiddels wel verandering in gekomen, maar daar merkt men in De woestijnvaders toch iets te weinig van. Tevergeefs zoekt de historisch geïnteresseerde lezer naar het wereldse contrapunt van al dat ascetisme. Op dat punt had de inleiding royaler mogen zijn. Ook de beknopte literatuurlijst verwijst nauwelijks naar de politieke, sociale en culturele context. Hierdoor is deze keuze uit de kerkvaders – en daar zitten rare portretten bij – toch weer een verzameling bidprentjes geworden. Niettemin heeft Van der Horst een sympathiek boek geschreven. Zijn vertaling leest goed, en de korte inleidingen bij de hoofdstukken alsmede de noten zijn terzake.

We betreden een heel ander terrein met Alfred J. Butlers The Arab conquest of Egypt, een herdruk van de jaranlang onvindbare uitgave van 1902, nu weer uitgebracht met een bijgewerkte bibliografie van Alexandrië-kenner P. M. Fraser. We bevinden ons op het uiterste randje van de Late Oudheid, in het eerste kwart van de zevende eeuw en volgen de politieke verwikkelingen tussen het Byzantijnse en Perzische rijk. Chosroes de Pers had Egypte veroverd, maar werd na tien jaar weer door keizer Heraclius verdreven. Tijdens deze troebelen ontvingen beide vorsten een schrijven van een zekere Mohammed uit Arabië, waarin deze zich als profeet openbaarde en de keizer en de koning aanspoorde zijn geloof aan te nemen. Heraclius antwoordde beleefd afwijzend, Chosroes hoogmoedig en de zaak werd vergeten.

Arabieren

Na zijn overwinning op de Perzen wilde Heraclius het rijk, dat in zaken des geloofs hopeloos verdeeld was, onder de hoede van de staatskerk verenigen. Daarvoor benoemde hij een geestelijke, Cyrus, tot bisschop van Alexandrië met de bevoegdheden van gouverneur van Egypte. De Egyptenaren, die hun eigen variant van het christendom hadden, wilden niets weten van de keizerlijke leerstellige opvattingen, waarop de bisschop hun voorlieden begon te vervolgen. Tegelijk was een leger van islamitische Arabieren en bedoeïenen langs de grenzen van het rijk actief; Jeruzalem was al veroverd. Terwijl de keizer op sterven lag, het hof in Constantinopel over zijn opvolging konkelde en in Egypte de religieuze terreur in volle gang was, trok een Arabische generaal, Amr ibn al-As, Egypte binnen. Het duurde even voor het in Alexandrië daagde dat men met meer te maken had dan slechts een bedoeïenenstrooptocht. Er volgde een wrede oorlog met wisselende kansen, waarbij de Arabieren na twee jaar strijd aan het langste eind trokken. De Byzantijnse troepen trokken zich terug uit Egypte, om er nooit weer terug te komen.

In Butlers relaas worden twee traditionele opvattingen over de opmars van de islam verworpen. Er is allereerst geen sprake van dat de Arabieren het land in een vloek en een zucht onder de voet liepen. Ondanks de vervolgingen door de keizerlijke kerk, haalden de Kopten de veroveraars ook niet in als bevrijders.

Butler, in de jaren tachtig van de vorige eeuw als huisleraar aan het koninklijke hof van Egypte verbonden, zet dit drama van incompetente generaals, bloedbaden, list, moed en verraad met brede streken op. Er komt een onafgebroken stroom aan eruditie op de lezer af, die door de auteur met een bewonderenswaardige beheersing en een benijdenswaardige stijl in bedwang wordt gehouden. Vooral het portret van de raadselachtige bisschop Cyrus en zijn verraderlijk optreden blijven de lezer bij. Butler besluit zijn relaas met twee toegiften, waarmee hij elke virtuele Alexandrijn een groot genoegen doet: de beschrijving van Alexandrië's luister door de ogen van de veroveraars en een verhandeling over het einde van de fameuze bibliotheek, die nog altijd niet overtroffen is.

Günter Grimm: Alexandria. Die erste Königsstadt der hellenistischen Welt. Philipp von Zabern, 168 blz. ƒ 83,25

André Bernand: Alexandrie la Grande. Hachette Littératures, 430 blz. ƒ65,60

Pieter W. van der Horst: De Woestijnvaders. Levensverhalen van kluizenaars van het vroege christendom. Prometheus, 285 blz. ƒ39,90

Alfred J. Butler: The Arab conquest of Egypt and the last thirty years of the Roman dominion. Oxford University Press, 714 blz. ƒ53,95