De schijn van de ideale schoolmeester

Een man vol humor en wijsheid. Sociaal bewogen, tof voor kinderen. Antimilitarist en antifascist, een radicale denker. Een goed mens en een goede Duitser. Zo zag Erich Kästner zich graag zelf en zo zien wij hem graag. Voor miljoenen mensen in de hele wereld is Erich Kästner een vriend. Hij geeft zijn lezers raad, beurt ze op en kapittelt ze als het moet, hij neemt ze in vertrouwen en meesmuilt samen met hen over de macht van de staat. Dat hij al haast een kwart eeuw dood is doet geen afbreuk aan zijn verstandhouding met het publiek. Deze week zou Kästner (Dresden 1899 – München 1974) honderd geworden zijn en charme trotseert de tijd.

Geen genre dat Kästner niet heeft beproefd. Hij was journalist en romancier, dichter en kinderboekenschrijver, toneelschrijver, scenarist en leverancier van populaire caberetliedjes. Talloos zijn de verfilmingen door mannen als Billy Wilder, van Kästner-bestsellers als Pünktchen und Anton, Emil und die Detektive en Drei Männer im Schnee. Generaties families in Europa en in Amerika zagen die films, en nog steeds wordt Kästner op duizenden scholen gelezen. Zijn puntige, heldere taal, zijn nuchtere toon en eerbied voor gewone mensen: daar durven de leraren wel mee aan te komen zetten, dat is nog eens iets anders dan de hoogdravende dorheid waarmee de Duitse liteartuur doorgaans wordt geassocieerd. Kästner was een gezellige, onderhoudende vriend, een kenner van het volk en van de grote stad, immens populair, ook in Nederland. Maar wat was hij verder?

Guit

Charme, daarmee was Kästner gezegend als geen andere Duitse auteur. Op foto's kijkt hij je vanonder imposante wenkbrauwen recht in de ogen. Zijn kijkers twinkelen, zijn lippen lachen, vooral naar de vrouwen, en zijn opgetrokken mondhoek zegt: pas op, ik ben een guit. Erich Kästner heeft flair en daar geniet hij van. Niet gehinderd door valse bescheidenheid schrijft hij: `Als ik dertig ben wil ik dat iedereen mijn naam kent.' En warempel: vlak voor zijn dertigste breekt hij door. Met een dichtbundel die precies de tijdgeest treft. Herz auf Taille uit 1928 bevat een beetje seks, een beetje vlegelachtigheid, een beetje woede. De beslistheid waarmee de jonge dichter de oudere Duitsers de oren wast, slaat aan bij zijn leeftijdgenoten, de grimmigheid waarmee hij zijn leeftijdgenoten in hun hemd zet oogst applaus bij de oudere garde en zo is iedereen die een vleugje spot kan verdragen tevreden. Erich Kästner poseert hier als een jongeman die alles allang kent, de oorlog, de liefde, de nacht. Zo schrijft hij, met een knauw naar dichtervorst Goethe zijn beroemd geworden gedicht Kennst du das Land, wo die Kanonen blühn?

Een raak commentaar op de Eerste Wereldoorlog, zei men in 1928. Een gedicht met profetische waarde, zei men na de Tweede Wereldoorlog. Maar in wezen drukt Kästner niets anders uit dan een ordinaire afkeer van de gevestigde orde: veracht de instituties, want die helpen je vrijheid om zeep! Steeds stuiten we in die vroege gedichten op het woord `kazernes'. `Kinderkazernes' bijvoorbeeld zijn scholen – en de kleine Erich ging dolgraag naar school, hij wilde later leraar worden, dat wist hij zeker. De gedachte dringt zich op dat de volwassen Erich, die van Herz auf Taille, goede sier wou maken met een geleend anarchisme. Zich er een buil aan vallen kon hij in die jaren niet: daarvoor was de Republiek van Weimar te tolerant en Kästners kritiek te vrijblijvend.

Ook met Fabian, zijn in 1931 gelanceerde debuutroman, slaagt Kästner erin de avant–garde die bij zwartgalligheid zweert te imponeren. Liefde bestaat in Fabian niet meer. Alleen de lust is er nog, in alle denkbare perverteringen. Fabian, zojuist ontslagen, dobbert stuurloos rond in de Berlijnse poel des verderfs en komt in aanraking met heerszuchtige huisvrouwen, mannenverslindende feministes en sadistische lesbiennes. Om hem heen niets dan misbruik en kilheid, niets dan handel in intimiteiten. Zijn minnares verkoopt haar lichaam aan een geile oude filmregisseur en meent: `Je komt pas uit de smerigheid als je jezelf smerig maakt.'

Dat motto, al heeft hij het nooit publiekelijk op zichzelf toegepast, zou kunnen gelden voor Kästners eigen leven. Ambitie is wreed, er vallen slachtoffers onderweg en er sneuvelen idealen. Fabians zuiverheidsideaal contrasteert met de liederlijkheid van zijn auteur. Kästner was een notoire ladykiller: `'t Arme ding, ze is süss. Dat moet ook wel, anders laat ik haar vallen', berichtte hij over een van zijn vriendinnetjes aan zijn moeder. Die vreselijke moeder, van wie hij zich niet los kon maken. Het autobiografische Als ich ein kleiner Junge war is het enige geschrift van Erich Kästner waarin hij, sporadisch, ook haar schaduwzijden belicht: de verachting voor haar zachtaardige, slecht verdienende man; de fixatie op Erich, haar enige kind; haar verbeten gevecht om hogerop te komen, eerst door zelf bij te verdienen als kapster, later via haar zoon. Haar ongevoeligheid voor andere levende wezens dan Erich, haar succesvolle pogingen om een wig tussen vader en zoon te drijven, haar depressies en zelfmoorddreigingen. Lag er weer eens een briefje op tafel, met de tekst `Ik hou het niet meer uit', dan holde de zoon door Dresden om haar te zoeken. Altijd vond hij haar op een brug boven de Elbe.

Behalve in die paar passages van Als ich ein kleiner Junge war heeft Erich Kästner zijn moeder waar hij maar kon verheerlijkt. Ten koste van de literaire kwaliteit, want die kreeg een sentimentele draai zodra mein liebes, gutes Muttchen du in beeld kwam. En ten koste van andere vrouwen. Daar bleef hij lelijke dingen over zeggen, niet alleen in de geruststellende brieven aan zijn jaloerse Muttchen maar ook in zijn poëzie: Wo andere moralisch sind/ da ist bei ihr ein Loch (`Waar bij anderen een moraal is/ daar is bij hen een gat'). In zijn kinderboeken, zo uitbundig om hun frisheid geprezen, verbant Kästner de vrouwen naar huis en keuken zodat ze zich niet met de mannenzaken kunnen bemoeien. Het meisje Pony Hütchen in Emil und die Detektive heeft een kekke naam maar ze is er alleen om de jongens te bewonderen en te bedienen. En in Fabian lezen we: `Werkende vrouwen zijn geen vrouwen.' Erich Kästner – Nur für Herrschaften! - had een panische angst om zich aan een exemplaar van het zwakke geslacht te binden. Trouwens ook om het uit te maken als hij eenmaal in een relatie verstrikt was geraakt. Luiselotte Enderle durfde hij niet te verlaten, zelfs niet toen hun relatie in puin lag. Drie jaar lang had hij haar verzwegen dat hij sinds 1957 een zoon had bij een andere vrouw. Intussen had Enderle zich rotgewerkt om de roem van haar Erich te vergroten: de Rororo-monografie Erich Kästner mit Selbstzeugnissen und Bilddokumenten is door haar geschreven.

Zelfbedrog

Kästner was sowieso een meester in het verzwijgen. Ook tegenover zichzelf. Soms krijg je de indruk dat hij helemaal niet over zichzelf nadacht. In plaats daarvan bouwde hij onvermoeibaar voort aan zijn imago van dankbare zoon, zorgzame minnaar, hulpvaardige mensenvriend. De schone schijn ging vóór de waarheid, dat had hij van zijn kleinburgerlijke moedertje geleerd. Van hem, de `achterkleinzoon van de Duitse Verlichting' (Kästner over Kästner), leren wij verbazingwekkend weinig. Hoe je ongeschonden door moeilijke tijden heen komt: ja, dàt leren we. Zijn lijfspreuk Ich bin nicht fürs Komplizierte, die doorgaans op de vrouwtjes sloeg, gold ook voor politiek en maatschappij. Zijn dikhuidigheid in nazi-Duitsland verbijstert. Dat hij niet emigreerde omdat hij in de buurt van zijn moeder wilde blijven, alla. Maar dat hij bleef om later een epos, hèt epos, over het Derde Rijk te schrijven, dat moet zelfbedrog zijn geweest. Want Kästner interesseerde zich nauwelijks voor het Derde Rijk. Hij interesseerde zich, zoals voorheen, voor zijn loopbaan, voor geld, voor lof.

Aan die loopbaan kon hij onder Hitler tamelijk ongestoord werken. Het klopt maar ten dele dat hij, zoals hij later pathetisch beweerde, twaalf jaar lang verboden geweest was. Na de boekenverbranding waarbij ook werk van Kästner in rook was opgegaan mocht hij nog wel schrijven, alleen niet voor uitgevers in Duitsland. Hij stuurde zijn manuscripten naar Basel en zorgde voor een onschuldige inhoud. En hij stortte zich op het medium film, waar je veel mee kon verdienen. De meeste filmscripts die hij, onder pseudoniem, vervaardigde zijn knusse miljonairskomedies met persoonsverwisselingen en malle misverstanden en een happy end. Geen nazipropaganda maar ook niet het `kleine verzet' waar hij zo prat op ging. Zijn grootste triomf in oorlogstijd was het scenario voor de zeseneenhalf miljoen Reichsmark kostende film Münchhausen, bedoeld om het gedeukte zelfvertrouwen van de bevolking op te peppen en hogelijk geprezen door Joseph Goebbels. Kästner kende bij de UFA (Universum Film Aktien Gesellschaft) de juiste mensen. Zijn Luiselotte was er dramaturge, en dankzij zijn slimme gelobby kon hij de ineenstorting van het Derde Rijk in comfortabele omstandigheden afwachten. In Mayrhofen, Tirol.

Terwijl de UFA-ploeg deed alsof ze druk voor Goebbels aan het werk was, maakte ze opnamen met een camera zonder film want de zaak was toch al verloren. In Kästners dagboek staat onder de datum 2 mei 1945: `Hitler is in Berlijn gesneuveld.' In Notabene 45, zijn bewerking van dat oorlogsdagboek, heet het ineens: `Hitler ligt, volgens het laatste nieuws, niet op sterven maar is `in Berlijn gesneuveld'. Daar je op veel manieren kunt sterven maar je alleen kan sneuvelen als je vecht wil men dus tot uiting brengen dat hij gevochten heeft. Dat is niet waarschijnlijk. [-] Ergo: hij is niet `gesneuveld'.'

Waarlijk: een briljante analyse. En wat heeft Erich Kästner heerlijk laconiek geschreven over de bom die zijn Berlijnse woning trof waarbij zijn bibliotheek verloren ging en zijn bestek en zijn door mama gestreken overhemden! Wat sloeg de schrijver zich dapper door dat noodlot heen! Met behulp van zijn geliefde droogkomische stijl waar volgens sommigen een baaierd aan emoties achter zit en volgens anderen helemaal niets. Niets dan berekening. Want Kästner wist ook wel dat je na de holocaust, waaraan hij vrijwel geen woord heeft vuilgemaakt, niet moest komen aanzetten met zielige verhalen over een weggeblazen appartement.

Buitenechtelijk

De biografen Franz Josef Görtz en Hans Sarkowicz hebben een mooie verklaring voor Kästners gemanoeuvreer. Erich, weten zij, was de zoon van een vrome jood! Hij liep gevaar, hij moest zijn afkomst verbergen! Niet Emil Kästner, de arbeider in de kofferfabriek, zou Erichs biologische vader zijn maar Dr. Emil Zimmermann, de huisarts van het gezin. Görtz en Sarkowicz baseren zich op een biografie uit 1982, die zich op zijn beurt baseert op wat de moeder van Kästners zoon tegen die zoon en wat die zoon tegen biograaf Werner Schneyder zou hebben gezegd. De these van Erich Kästners buitenechtelijke verwekking komt Görtz-Sarkowicz ook elders van pas. Ter verklaring van Erichs desinteresse voor Emil Kästner bijvoorbeeld. Ter verklaring van de buitenechtelijke verwekking van Erichs eigen kind: zo vader, zo zoon, heeft het duo welwillend gedacht.

Görtz, tevens redacteur van Kästners verzamelde werk in de nieuwe negendelige uitgave bij Hanser, brengt oneindig veel begrip op voor Erich en oneindig weinig voor Erichs vrouwen. Minder macho en meer sensibel is de biografie van Sven Hanuschek. Kästner is daarin geen held maar een mens en dat is boeiender. Hanuschek hecht geen waarde aan het verhaal van Kästners joodse afkomst. Dat Erichs aseksuele moeder vreemdging, acht hij onwaarschijnlijk. Waarschijnlijker is dat Kästner de joodse mare verbreidde, in kleine kring maar toch, om na de oorlog door te gaan voor slachtoffer van de nazi's. En men geloofde hem; al heel snel maakte de Onbevlekte Thuisgeblevene zich nuttig bij de opbouw van een democratisch Duitsland.

Het moet gezegd: die taak lag hem. Een goede schoolmeester was Kästner altijd al geweest: als het ging om het opbeuren van de (mannelijke) jeugd, dan wist hij hoe dat moest. Zijn vuistregels hebben miljoenen over een dip heen geholpen. Het recept? `1. Geloof je leraren niet. 2. Reageer je niet af op de zwaksten. 3. Kom voor je mening uit. En 4: wees humoristisch.'

Erich Kästner: Werke (9 dln). Bezorgd door Franz Josef Görtz. Hanser, 5230 blz. ƒ125,75 (pbk), ƒ372,50 (geb.)

Sven Hanuschek: Keiner blickt dir hinter das Gesicht. Das Leben Erich Kästners. Hanser, 493 blz, ƒ65,60

Franz Josef Görtz en Hans Sarkowicz: Erich Kästner. Eine Biographie. Piper, 371 blz. ƒ76,-