De ongelukkige sprookjesschrijver

Het lelijke jonge eendje, de prinses op de erwt, de nieuwe kleren van de keizer, het zijn uitdrukkingen die net zo oud lijken als Assepoester, het paard van Troje en Jonas in de wallevis. Maar ze werden slechts anderhalve eeuw geleden bedacht, door de Deense schrijver Hans Christiaan Andersen (1805-1875). Andersen was dichter, toneelschrijver, reisschrijver, romanschrijver, maar hij werd bekend door zijn honderdzestig sprookjes, waarvan de helft nog elke dag ergens in de wereld vertaald, uitgegeven en gelezen wordt.

Elk artikel en boek over Andersen begint met de mededeling dat hij in 1805 in een arm gezin in Odense werd geboren. Dat is waar. Wie in 1805 in Denemarken werd geboren, had grote kans dat het in een arm gezin was. Veel beroemde schrijvers zijn arm geboren. Maar Andersen kon het zijn hele leven niet vergeten. Altijd was hij bang de verkeerde kleren aan te hebben of een figuur te slaan of zijn geld kwijt te raken. Hij was liever in het buitenland dan in Denemarken, waar iedereen van zijn lage achtergrond op de hoogte was. Zijn dagboeken – tien delen, 5.000 pagina's – zijn één lange litanie van verzuchtingen dat hij zo ongelukkig is. Elke kritische opmerking brengt hem in een depressie. Hij ontmoet veel koningen en prinsen. Als hij weer eens een prins omhelsd heeft, klaagt hij `Was hij maar geen prins, of ik wel'. Hij slaagt erin altijd verliefd te worden op vrouwen die zich net met een ander aan het verloven zijn. De mannen met wie hij op reis is, irriteren hem. Hij lijkt een slappeling, een sukkel en een gefrustreerde -seksueel, waarbij het er werkelijk niet toe doet of dat hetero- of homo- was.

Nederland

Maar Hans Christiaan was op zijn veertiende toch maar zo stoer om zonder een cent op zak zijn moeder in Odense te verlaten en naar de hoofdstad Kopenhagen te vertrekken met het doel bij het toneel te gaan en dichter te worden. Hij vindt weldoeners, die zijn hele leven met hun geld en hun pretenties op zijn nek blijven zitten. Hij krijgt succes en vertrekt zo gauw hij kan uit Kopenhagen. Als hij in een vreemde plaats aankomt, gaat hij direct naar alle beroemdheden uit die plaats om ze te omhelzen en complimenteren, foto's en boeken uit te wisselen.

Edith Koenders heeft voor de serie Privé Domein een mooie chronologische selectie gemaakt uit de brieven en dagboeken van Andersen, Hij schreef elke dag brieven; de uitgave daarvan is nog steeds niet voltooid. Drie keer bezichtigt hij Nederland en het ligt voor de hand dat in dit Nederlandse boek veel bladzijden over die bezoeken uit zijn dagboek vertaald worden. In de uitstekende Andersen-biografie van Elias Bredsdorff (Phaidon Press, 1975) worden de langdurige Nederlandse verblijven in een bijzinnetje afgedaan. Voor ons is het aardig om te lezen hoe Van Lennep, Kneppelhout en anderen hem ontvingen.

Op de achterflap staat dat het boek `een panoramisch beeld geeft van een belangrijke periode uit de negentiende-eeuwse Europese geschiedenis.' Die snorkende woorden zijn niet van de samenstelster, want diezelfde flap beweert ook dat Andersen `Goethe en Dickens tot zijn persoonlijke vrienden mocht rekenen'. Andersen heeft Goethe, die in 1832 overleed, nooit gesproken, wel hoorde hij van een kapper in Weimar een paar anekdoten die hij trouwhartig in zijn dagboek noteerde. In werkelijkheid gaat het hele dagboek, en gaan de brieven, alleen en uitsluitend over de humeurtjes, irritaties, dromen, angsten en kiespijnen van Andersen. Over zijn werk lezen we weinig. Hij krijgt een idee voor een verhaal, de volgende dag schrijft hij het op en de dag daarna leest hij het voor en stuurt het naar zijn uitgever. Hoewel hij voortdurend lofprijzingen uit heel Europa krijgt, is hij nooit tevreden en dat levert een spannend en soms hilarisch boek op. Je zou hem door elkaar willen rammelen en zeggen: `Laat die zure bekrompen Deense weldoeners toch doodvallen! Niemand zal in het jaar 2000 weten wie koning Willem II was, maar jouw naam is dan bekend bij jong en oud. Word toch verliefd op een vrouw die niet verloofd is of neem een man'.

Tot zover een recensie zoals u die overal kan lezen. Als een redactie een boek over Andersen wil laten bespreken, sturen ze dat niet naar een Andersen-expert, want die schrijft dan een vitterig stuk, waaruit alleen blijkt dat hij het boek beter zelf had kunnen schrijven. Ik kreeg het toegezonden, omdat ik nooit een woord of gedachte aan Andersen besteed heb. Maar ik heb me de afgelopen maand in Andersen begraven, zijn dagboeken met enige moeite gelezen en veel over hem opgestoken. En nu ben ik ontevreden. Op de keuze en de vertaling heb ik nauwelijks kritiek, maar wel op het begeleidende commentaar, waar kansen gemist zijn. Ik geef een handvol voorbeelden.

Dickens wijst de duim naar beneden. Met Dickens was Andersen toch wél bevriend? Hij logeert toch meer dan een maand bij hem? Ja, maar ons wordt niet verteld dat Dickens toen hij vertrok in Andersens kamer de inscriptie plaatste: `Andersen logeerde hier vijf weken — wat de familie eeuwen leek'. Van de naderende huwelijkscrisis bij de Dickensjes had de Deense dichter niets gemerkt.

De wijsvinger verwijst naar de boomlange gestalte van S⊘ren Kierkegaard, de tijd-, lengte- en plaatsgenoot van Andersen. De samenstelster heeft een brieffragment in haar boek opgenomen, waarin Andersen schrijft over de schandalige begrafenis van deze andere beroemde Deen. Maar zij zwijgt over wat Kierkegaard voor Andersen heeft betekend. Toen Andersen in 1837 de roman `t Was maar een speelman, die, net als alle andere Andersen-romans, een hoog autobiografisch gehalte heeft en die verder op Jip en Janneke lijkt, had gepubliceerd, schreef de vijfentwintigjarige Kierkegaard in 1838 een heel boek tegen die roman. Het is een prachtige, felle, soms onbegrijpelijke filippica, die Andersen zijn hele leven onthouden moet hebben.

De middelvinger is de seksvinger. Hier treft een zekere terughoudendheid van de samenstelster. Andersen bezoekt in 1834 Napels. Elke dag van de week van 19 tot 26 februari, zo blijkt uit zijn dagboek, worden hem vergeefs dames aangeboden. Juist uit dat dagelijkse aanbieden en versmaden wordt duidelijk dat hij expres steeds het pooiersstraatje opzoekt. Hij laat zich ook het adres van een donna geven. De samenstelster geeft ons uit die week maar twee voorbeelden, alsof het incidenten zijn en tekens van Italiaanse smerigheid.

In Parijs bezoekt Andersen een bordeel, betaalt, maar doet niets. In Rotterdam beveelt een kerel hem dansmeisjes aan. Andersen vraagt naar de bekende weg wat dat voor meisjes zijn en de man antwoordt in het Duits `Offentliche'en hij kent er eentje die f⊘rste klasse, `prima', `eerste klas' was (Koenders vertaalt: `Meisjes van plezier' en `horend bij de hogere klasse'). Als Andersen ongenoegen krijgt met zijn weldoener Collin schrijft hij: `Toen ik in het buitenland was, liet ik het alleen na om de Collins niet te kwetsen, want om hunnentwille heb ik nooit toegegeven aan mijn zinnelijkheid en toch wordt dat niet op waarde geschat'.

De ringvinger draagt Chamisso. Deze Duitse schrijver van Franse afkomst blijkt Deens te kennen. Net als dat met Kierkegaard het geval was, wordt hij in het voorbijgaan genoemd, maar zijn grote betekenis voor Andersen blijft ongenoemd. Chamisso had in 1813 Pedter Schlemihls wundersame Geschichte geschreven over een man die zijn schaduw kwijtraakt. Dat heeft Andersen geïnspireerd tot zijn verhaal `De schaduw', dat geen sprookje is, maar een modern verhaal, waarbij ik met modern bedoel: zoals tussen de wereldoorlogen bijvoorbeeld Massimo Bontempelli, Marcel Aymé en Bordewijk verhalen schreven.

Andersen geeft in het verhaal zelf zijn bron toe. Studenten van originaliteit en plagiaat kunnen bij hem terecht. Toen hij net begon, werd hem eens verweten dat hij had overgeschreven van een andere Deen. `Ja', zei hij blij, `en wat is dat mooi hè?' Wilhelm Grimm verliest voor mij zijn wetenschappelijke naam omdat hij in 1843 `De prinses op de erwt', dat zijn zoon Hermann hem had vertelt, klakkeloos in zijn verzameling oude volkssprookjes opnam. Overigens komt die erwt wel uit een Zweeds sprookje maar Andersen heeft dat ingrijpend verbeterd.

Potgieter

De pink wordt opgestoken door Potgieter. Op 16 februari 1866 is Andersen in Amsterdam. Hij schrijft in zijn dagboek over een avondje te zijner ere bij de Deen Brandt: `De Nederlandse schrijver die, zo vertelde Brandt me, niet van me houdt, en die gezegd heeft dat ``Andersen toch altijd een kind blijft' is niet gekomen'. In 1972 schreef de Deense bezorgster van deel III van Andersens dagboek in een noot dat het hier om Potgieter gaat en Edith Koenders heeft die naam tussen haakjes in het dagboekfragment gezet. Maar het ligt anders.

Potgieter schreef op 13 februari 1866 aan Busken Huet dat Brandt hem heeft uitgenodigd, maar dat hij Andersen in zijn autobiografie zo verschrikkelijk ijdel vond dat hij `bang was voor ``dat groote kind', dien ``ouden jongen', zooals Kneppelhout hem noemt'. Het was dus Kneppelhout, die later in Kopenhagen bij Andersen op bezoek gaat, die Andersen een kind noemde.

Potgieter hield wél van het werk van Andersen. In 1840 had hij twee romans van Andersen, waaronder `t Was maar een speelman, buitengewoon juichend besproken. Dit misverstand van precies 133 jaar geleden moest even opgehelderd.

Edith Koenders heeft een prachtig Andersen-boekje gemaakt, maar het had nog beter gekund. Nooit tevreden ben ik. In Parijs is net een Deense tekenfilm De schaduw van Andersen in première gegaan. In deze film, niet voor kinderen bedoeld, proberen regisseur Hastrup en scenarist Haller leven en sprookjes van de Deen te vermengen. We zien hem voortdurend vergezeld van Lelijk Eendje en Opstandige Schaduw, met zijn arme moeder, gekke opa, zangeres Lind, gemene dochter Collin en de rest. Ik was niet tevreden. Uit Andersens leven kunnen we leren hoe we ons níet moeten gedragen – achterdochtig, sullig, vrekkig, sikkeneurig, bangig – maar het devies nooit tevreden is het navolgen waard.

Hans Christiaan Andersen: Nooit rijk, nooit tevreden, nooit verliefd. Een keuze uit zijn dagboeken en brieven. Uit het Deens vertaald, van noten en een voorwoord voorzien door Edith Koenders. De Arbeiderspers, 279 blz. ƒ39,90