De flexwet is in orde maar de politiek is in de war

De bewering van enkele Kamerfracties als zou de flexwet niet deugen is onjuist, vindt F.B.J. Grapperhaus. Die kritiek is eerder het gevolg van het feit dat politici en CAO-partners onbekend zijn met de wet en met eerder door werkgevers en werknemers gemaakte afspraken.

Het Nederlandse arbeidsrecht is op 1 januari zeer ingrijpend gewijzigd door de invoering van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid, in de volksmond: de flexwet geheten. Al snel sloegen werkgevers en werknemers in een paar sectoren alarm: de flexwet zou niet deugen, en zou in elk geval voor hun specifieke branche rampzalige gevolgen hebben. Zo klaagde eerst de voetballerij steen en been dat als gevolg van de flexwet het systeem van afkoopsommen werd opgeblazen, dat na het Bosman-arrest in de plaats kwam voor de transfersommen. Daarna waren het de werkgevers in het bijzonder onderwijs, die waarschuwden dat zij niet langer op invalkrachten konden terugvallen, omdat die anders een aanstelling voor onbepaalde tijd dreigden te krijgen.

Ondertussen luidde FNV Bondgenoten de noodklok dat langdurige uitzendkrachten ten gevolge van het overgangsrecht van de flexwet ineens geen voortzetting van hun contract aangeboden kregen. Het gekrakeel van deze partijen was genoeg voor een aantal fracties in de Tweede Kamer om te verklaren dat de flexwet niet deugde en dringend moest worden aangepast, terwijl het parlement vanaf het voorjaar van 1997 zeer grondig aandacht heeft besteed aan het desbetreffende wetsvoorstel. Bovendien zijn, op instigatie van de Eerste Kamer, zelfs nog kort vóór de inwerkingtreding van de flexwet, enkele `reparaties' uitgevoerd. Een andere vraag die gesteld kan worden is, waarom Tweede-Kamerfracties van niet de minste politieke partijen bijna onmiddellijk een nog maar kort ingevoerde ingrijpende wetswijziging weer aan de kaak stellen, louter omdat vanuit een paar sectoren kritiek komt.

Het is opvallend dat bepaalde delen van de private sector zich de afgelopen twee jaar kennelijk geen enkele rekenschap hebben gegeven van de ingrijpende wijzigingen die in het arbeidsrecht voor de deur stonden. Dat is des te opmerkelijker, omdat de flexwet zijn oorsprong vindt in een akkoord dat voorjaar van 1997 in de Stichting van de Arbeid is gesloten – dus om een afspraak tussen werkgevers en werknemers.

Wie de flexwet naast dat zogenoemde STAR-akkoord legt, en naast de Nota Flexibiliteit en Zekerheid van minister Melkert van december 1995, zal direct constateren dat de flexwet veel meer met het akkoord van werkgevers en werknemers gemeen heeft dan met de wetgeving die de minister in zijn Nota voor ogen had. Werkgevers en werknemers hebben van de vorige bewindsman van Sociale Zaken in grote lijnen gekregen wat zij onderling hadden afgesproken en dus ook zelf nadrukkelijk wilden.

Maar er is meer: de flexwet biedt op wezenlijke punten bij uitstek de mogelijkheid om bij CAO afwijkende regelingen te treffen. Een voorbeeld, toegespitst op de invallers in het onderwijs. In de wet staat dat werkgever en werknemer voortaan binnen drie jaar drie opeenvolgende arbeidscontracten voor bepaalde tijd kunnen afsluiten, zonder dat de werknemer aanspraak kan maken op ontslagbescherming. Maar diezelfde flexwet laat vervolgens toe dat werkgevers en werknemers bij CAO ook kunnen afspreken dat maar liefst acht opeenvolgende arbeidscontracten voor bepaalde tijd kunnen worden afgesloten zonder dat sprake is van ontslagbescherming. Wanneer de werknemersorganisaties niet bereid zijn tot zo'n CAO-afspraak dan zien zij daar kennelijk de praktische noodzaak niet van in, en vallen partijen terug op de oorspronkelijke regeling uit de flexwet. Overigens: de werkgevers in het bijzonder onderwijs kunnen altijd nog besluiten om voor invalkrachten gebruik te maken van de bijzondere mogelijkheden en faciliteiten die voor de uitzendovereenkomst gelden, en zelfs een eigen uitzendorganisatie voor de branche oprichten.

Nu de voetballers. De voetbalwereld kende het zogenaamde transfersysteem, dat door het Bosman-arrest van het Europese Hof van Justitie eind 1995 ongeldig werd verklaard. Vervolgens stapte men over op het systeem waarbij talentvolle voetballers telkens arbeidscontracten voor lange bepaalde duur aangeboden kregen: wilde een voetballer tussentijds overstappen naar, bijvoorbeeld, Barcelona, dan moest hij – lees: de nieuwe club – een aanzienlijke afkoopsom voor het nog lopende contract betalen. Onder de oude wet kon dat. De flexwet maakt dit onmogelijk, omdat opeenvolgende arbeidscontracten na drie jaar van rechtswege worden omgezet in een arbeidscontract voor onbepaalde tijd, dat gewoon opgezegd kan worden. Daarmee heeft de flexwet gelukkig een einde gemaakt aan een oneigenlijke praktijk, die louter beoogde het Bosman-arrest te omzeilen.

De klacht van de vakbonden was van geheel andere aard, en was het gevolg van nadere afspraken die de vakbeweging zelf had gemaakt voor de overgangsituatie van de oude naar de nieuwe wet. Werkgevers en werknemers in de uitzendbranche hadden afgesproken dat uitzendkrachten die voor invoering van de flexwet in de drie voorafgaande jaren meer dan 3.000 uur gewerkt hadden, per 1 januari een dienstverband voor onbepaalde tijd zouden krijgen. Zo werd voorkomen dat de telling voor die uitzendkrachten weer helemaal opnieuw zou beginnen. Maar het effect was dat in veel gevallen uitzendkrachten eind vorig jaar bedankt werden voor bewezen diensten, omdat er onvoldoende werkgarantie was om hen een een dergelijk arbeidscontract aan te bieden. Daarmee hadden de vakbonden met het overgangsrecht het tegenovergestelde bereikt van wat beoogd was. Inmiddels hebben werkgevers en werknemers dit opgelost door een regeling te treffen die in een groot aantal gevallen alsnog soelaas biedt.In feite kan gesteld worden dat de drukte die er tot nu toe geweest is over de flexwet valt terug te voeren tot onbekendheid met die wet en onbekendheid met de eerder zelf door werkgevers- en werknemersorganisaties gemaakte afspraken.

Bij de behandeling van de flexwet heeft de minister in de Eerste Kamer toegezegd dat er een commissie zal komen, bestaande uit vooral werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers, die het ontslagrecht zal evalueren. Het lijkt vanzelfsprekend dat die commissie de komende jaren ook de werking van de flexwet beoordeelt – dat is zinvoller dan een zo zorgvuldig voorbereide en bediscussieerde wet al na twee maanden ter discussie te stellen louter op grond van gesputter van enkele CAO-partijen die kennelijk verzuimd hebben om zich voor te bereiden op de invoering van die wet.

Mr. F.B.J. Grapperhaus is advocaat te Amsterdam.