Consument beter af door `grijze' handel

Het aan banden leggen van `grijze' handelsstromen houdt de prijzen van producten in de EU kunstmatig hoog. Tijd om de `handelsmuren' rond Europa af te breken, vindt de Eurocommissaris voor de interne markt, Mario Monti.

Hans Wijers brak als minister van Economische Zaken in het eerste Paarse kabinet een lans voor het opmerkelijke voornemen dat de Europese Commissie gisteren openbaarde: beide willen de Europese markt openstellen voor parallelimport.

Handelaren zouden daarmee de vrijheid krijgen om goederen, waar ook ter wereld op de markt gebracht, naar Europa te importeren. Een fabrikant van, pakweg, videobanden die zijn overproductie tegen spotprijzen in Mexico op de markt dumpt, zal zich geconfronteerd zien met parallelimport. `Grijze' handelaren zullen die video's terughalen naar Europa om ze er onder de officiële verkoopprijs aan de man te brengen.

Dat is vervelend voor de fabrikant, die in verschillende landen een markt probeert te creëren voor zijn producten. Zoiets vergt investeringen in marketing, reclame en productontwikkeling die van land tot land verschillen. Ook de marktpositie van een merk, de distributiekosten en de koopkracht van de bevolking verschillen per land. Naarmate de prijs van een product meer bepaald wordt door het imago van het merk, zal het prijsverschil groter zijn.

Parallelimporteurs maken daar handig gebruik van. Soms hoeven producten in werkelijkheid niet eens grote afstanden af te leggen; een Braziliaanse tussenhandelaar kan bijvoorbeeld in Duitsland geproduceerde Volkswagens laten leveren aan een Nederlandse autodealer. Als de auto de fabriek verlaat, staat er misschien nog wel `bestemming Brazilië' op de vrachtbrief, maar in werkelijkheid komt de wagen niet verder dan de haven van Rotterdam.

De fabrikant kan hier weinig tegen doen. Hij heeft vaak niet eens zijn eigen dealers onder controle. Veel officiële tussenhandelaren fungeren als lek naar de parallelhandel. Zolang de fabrikant dat niet merkt, is dat een lucratieve bijverdienste. Parallelgeïmporteerde goederen vinden daardoor, ondanks het verbod, ook nu al gretig aftrek in de Europese Unie.

Fabrikanten kunnen wel, met het merkenrecht in de hand, juridische stappen ondernemen tegen een tussenhandelaar of een detaillist van wie ze vermoeden dat die parallelgeïmporteerde spullen verkoopt. De producent wint zo'n rechtszaak vrijwel altijd. Het merkenrecht is echter vooral bedoeld om het zogeheten intellectueel eigendom van de merkhouder de fabrikant te beschermen tegen vervalsing van merkartikelen, niet om hem in staat te stellen de prijzen kunstmatig hoog te houden.

Dat dit toch gebeurt blijkt uit een rapport van het Britse onderzoeksbureau Nera, dat in opdracht van Eurocommissaris Monti (interne markt) de parallelhandel in Europa in kaart bracht. Nera constateert dat vrijgeven van parallelimport alleen voor een beperkt aantal merktartikelen met kunstmatig hoge prijzen tot een forse prijsval zal leiden. Per sector bekeken zal de prijsdaling hooguit zo'n 2 procent zijn, dus grote bedrijfseconomische fiasco's vallen niet te verwachten. Reden genoeg voor Monti om de handelsbelemmeringen aan banden te leggen.

Wijers pleitte daar twee jaar geleden al voor, maar stond daarin binnen de EU alleen. In 1997 gaf Nederland, dat als enige een commissievoorstel voor het aan banden leggen van parallelhandel blokkeerde, zijn verzet op. Nu lijkt Monti alsnog de Nederlandse lijn te volgen. Thuis heeft hij in elk geval wat uit te leggen, want zijn moederland Italië is, net als Frankrijk, fervent tegenstander van parallelimport. Nederland en Zweden pleiten juist voor het wegnemen van handelsbelemmeringen.

In tal van branches zou dit een kleine revolutie betekenen. Dichtgetimmerde distributiekanalen zullen worden opengebroken en prijzen van merkartikelen, variërend van personenauto's tot medicijnen en van sportsokken tot compact discs, komen onder druk te staan.

Fabrikanten voeren een felle lobby tegen zo'n wijziging. Zij zijn bang dat het een stuk makkelijker zal worden om namaakproducten op de markt te brengen. Zo trof speelgoedfabrikant Mattel vorig jaar een immense partij perfect nagemaakte Barbie-poppen uit China aan in Nederlandse speelgoedwinkels, die onder het mom van parallelimport geleverd waren. Vrije parallelimport zal zulke uitwassen alleen maar doen toenemen, vrezen de merkhouders.

Maar vooral vrezen de fabrikanten een prijzenoorlog. Parallelimporteurs zorgen ervoor dat hun producten goedkoper op de markt komen. Niet alleen kunnen parallelhandelaren op de wereldmarkt allerlei dumppartijen voor een prikje opkopen, zij hebben evenmin te maken met hoge marketingkosten die ze in de prijs moeten doorberekenen. Door lage prijzen concurreren winkeliers die hun spullen via parallelhandel betrekken met officiële verkooppunten. Ter vergelijking: een discountdrogist verkoopt dezelfde parfums als een luxe parfumerie, alleen guldens goedkoper. Uiteindelijk wordt ook zo'n luxe parfumerie en indirect dus de fabrikant gedwongen zijn prijzen te verlagen.

De consument profiteert daarvan. En aangezien het Nera-onderzoek aantoont dat de bedrijfseconomische gevolgen veel minder groot zijn dan in de doemscenario's van de industrielobby, lijkt dat argument zwaarder te wegen voor Monti.