Brood beste debater in parlementair toernooi

Voor het eerst gekozen Tweede-Kamerleden streden gisteren om de hoofdprijs van Het Parlementair Debattoernooi.

Een CDA-Kamerlid dat vindt dat het land alleen goed wordt geregeerd als er een dik regeerakkoord wordt gesloten. Een PvdA-collega die met verve verdedigt dat parlementaire verslaggevers moeten worden vervangen door sportverslaggevers. Een SP-parlementariër die stelt dat de Tweede Kamer kan worden opgeheven ten behoeve van Europa.

Gisteren was even alles mogelijk in de Tweede Kamer. In de Oude Zaal vond daar Het Parlementair Debattoernooi plaats, georganiseerd door NRC Handelsblad samen met Holland Debate, een stichting ter bevordering van de kunst van het debatteren. Winnaar werd VVD-Kamerlid Philippe Brood, een in vele wedstrijden geoefend debater. In de finale streed Brood met Harry van Bommel (SP).

In de halve finales waren Marleen Barth (PvdA) en Francisca Ravestein (D66) afgevallen. Het toernooi stond alleen open voor `nieuwe', bij de vorige verkiezingen voor het eerst gekozen Kamerleden. Aan de voorrondes hadden 's middags meegedaan: Kees Vendrik (GroenLinks), Gerda Verburg (CDA), Joop Wijn (CDA), Agnes Kant (SP) en Femke Halsema (GroenLinks). Door loting was bepaald wie in de één-op-één debatten voor of tegen een stelling moest pleiten.

Het verschil met de gewone debatten in de Tweede Kamer was groot, zo bleek. De stellingen voor de voorrondes waren bijvoorbeeld pas de avond tevoren aan huis bezorgd, per koerier. Die voor 's avonds werden niet eerder dan twintig minuten voor aanvang van het debat bekend. Verder kwam er geen fractiediscipline aan het verdedigen of aanvallen van de stelling te pas: alle argumenten waren mogelijk, en die van de tegenstander van te voren onbekend. Alleen inhoud, strategie en presentatie telden. De spreektijd was beperkt.

Voor menig deelnemer was dat wennen. ,,In de Kamer weet je de standpunten en de argumenten tevoren. Meestal weet je ook al of je gaat verliezen of niet'', aldus Verburg. Barth: ,,Als ik had geweten dat de interrupties van de spreektijd afgingen, had ik ze niet zo ruim toegestaan.''

Een veel gemaakte fout was het niet volhartig betrekken van de stelling, door er tegen beter weten in een politiek correcte draai aan geven. Zo diskwalificeerde Wijn zich in de voorrondes door `in zijn huidige vorm' toe te voegen aan de stelling `het vragenuurtje moet worden afgeschaft'. Het CDA maakt veel gebruik van het vragenuurtje. Wijn stelde in zijn argumentatie voor om het dagelijks te houden, in plaats van eens per week.

Moeilijk bleken ook veel tegenstanders van een stelling het te hebben. In het klassieke debat wordt de positie van tegenstander juist als makkelijker gezien: hij draagt niet de `bewijslast' van de stelling, maar hoeft alleen de argumenten van de tegenstander te weerleggen. Maar menig deelnemer bestreed niet de argumenten van de tegenstander en hield een eigen, thuis voorbereid betoog. Vaak ook bestreden zij elkaar met een in de Tweede Kamer gebruikelijke term als `dat is echt onzin'. De jury strafte dat af.

De avond-jury onder leiding van F. Korthals Altes, voorzitter van de Eerste Kamer, oordeelde uiteindelijk dat Brood consistenter, rijker en logischer in zijn argumentatie was dan Van Bommel. Weliswaar had Van Bommel de moeilijke taak om als `nieuw' Kamerlid de stelling `ook zonder Den Haag vaart Nederland wel' te verdedigen. Maar hij had, aldus de jury, onvoldoende argumenten aangevoerd. Brood werd ook iets ontspannener gevonden, met ,,een grap onder handbereik''. Kamervoorzitter J. van Nieuwenhoven reikte hem `De Cicero 1999' uit, waarbij zij zich een warm voorstandster toonde van meer debatwedstrijden. ,,Veel Kamerleden denken dat hoe langer je aan het woord bent, des te meer je gezegd hebt. Dat is niet waar'', aldus Van Nieuwenhoven.